CMC examentraining

Wat kun je, naast het maken van oefenexamens, leren ter voorbereiding van het SE Examentekst?
1 / 31
volgende
Slide 1: Woordweb
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Wat kun je, naast het maken van oefenexamens, leren ter voorbereiding van het SE Examentekst?

Slide 1 - Woordweb

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Nieuwe vraagtypen
Er is meer diversiteit in wat je leest. Zo is er meer variatie in het aantal bronnen per vraag, in de kwaliteit van bronnen en in het soort bronnen.

Er is meer diversiteit in wat leerlingen lezen. Zo is er meer variatie in het aantal bronnen per vraag, in de kwaliteit van bronnen en in het soort bronnen


Slide 4 - Tekstslide

Nieuwe vraagtypen
Door het gebruik van scenario’s (bijvoorbeeld een situatieschets waarin leerlingen moeten debatteren) zijn authentieke en herkenbare leescontexten gecreëerd. Dat maakt het mogelijk om de argumentatie op een meer functionele manier te bevragen.

Het analyseren en evalueren van de stilistisch-retorische (vraag zonder antwoord te verwachten dimensie van een tekst is een belangrijk onderdeel van tekstbegrip. Daarom zijn er ook vragen opgenomen over figuurlijk taalgebruik en framing (bewust gebruiken van woorden die positieve of negatieve associaties oproepen.).

Slide 5 - Tekstslide

Nieuwe vraagtypen
Het analyseren en evalueren van de stilistisch-retorische (vraag zonder antwoord te verwachten dimensie van een tekst is een belangrijk onderdeel van tekstbegrip. Daarom zijn er ook vragen opgenomen over figuurlijk taalgebruik en framing (bewust gebruiken van woorden die positieve of negatieve associaties oproepen.).

Slide 6 - Tekstslide

Nieuwe vraagtypen
Bij sorteer- en synthesetaken moeten leerlingen teksten op een grondige manier verwerken. Met dit soort taken kan dus diep tekstbegrip worden getoetst.

Er zijn nu ook vragen over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van teksten, aan de hand van een bepaald scenario. Deze focus op kritisch lezen past goed bij de grotere aandacht voor de informatievaardigheden en digitale geletterdheid van leerlingen.

Slide 7 - Tekstslide

Soort tekst
Herken de tekstsoort (uiteenzetting, beschouwing, betoog of een mix) en bepaal het schrijfdoel van de tekst (amuseren, informeren, opiniëren, overtuigen en activeren).

Slide 8 - Tekstslide

Rode draad
Met behulp van de belangrijkste zinnen, de kernzinnen en het zoeken naar hoofdgedachten van alinea’s, vind je de rode draad van de tekst, de gedachtegang van de schrijver. Op die manier krijg je grip op een ingewikkelde tekst. Pas nadat je de hoofdgedachte hebt gevonden, ga je de bijzaken eraan koppelen.

Vaak staan kernzinnen aan het begin of einde van een alinea.

Slide 9 - Tekstslide

Voorkom onnodige fouten
Voorkom onnodige fouten zoals:
  • Te veel woorden noteren (schrijf een korte samenvatting in een kladversie/herhaal de vraag in je antwoord);
  • Noteren van een citaat (zinnen of zinnen);
  • Onduidelijke/onleesbare woorden/letters;
  • Lees eerst de hele tekst voordat je aan de vragen begint;
  • Beantwoord open vragen met informatie uit de tekst;
  • Sla nooit een vraag over.

Slide 10 - Tekstslide

Let op signaalwoorden en denk na over de functie van een tekst(-gedeelte)
Signaalwoorden in de tekst geven tekstverbanden aan. Veel vragen hebben betrekking op verbanden tussen zinnen en/of alinea's.

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

  • Een tekst indelen
  • Functies van een tekst bepalen 
  • Woorden of zinnen uit de tekst citeren
  • Iets met eigen woorden zeggen / samenvatten
  • Hoofdgedachte van een tekstgedeelte vaststellen
  • Argumentatieve vragen
  • Hoofdgedachte van een tekst bepalen
  • Schrijfdoel van een tekst vaststellen
Welk tussenkopje past bij welke alinea?
Wat is de functie van alinea X t.o.v. alinea Y?
Standpunt / (verzwegen) argumenten / redeneringen / aanvaardbaarheid / drogredenen

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Link

Slide 15 - Link

Vragen

Slide 16 - Tekstslide

Welke functies kan een titel hebben?
A
activeren
B
teasen
C
informeren
D
overtuigen

Slide 17 - Quizvraag

De hoofdgedachte van een tekst is ....
A
het onderwerp van een tekst
B
de belangrijkste alinea
C
kort samengevat (in een zin) waar de tekst over gaat
D
de kernzin van de eerste alinea

Slide 18 - Quizvraag

Een bron kan iets zeggen over ....

(kies het beste antwoord)
A
de moeilijkheid van de tekst
B
de schrijver
C
de tekstsoort
D
het onderwerp

Slide 19 - Quizvraag

Als de tekst ontleend is aan een krant, dan is de tekst waarschijnlijk een...
A
uiteenzetting
B
beschouwing
C
betoog
D
er is geen duidelijke voorkeur

Slide 20 - Quizvraag

om ... te, door te, opdat, door middel van, daarmee, daartoe, teneinde, met als doel
A
Voorwaarde
B
argumentatie voor argumenten die andere argumenten verdedigen
C
Doel / middel
D
Conclusie

Slide 21 - Quizvraag

een betoog wordt een activerende tekst door een ...
A
argument
B
standpunt
C
oproep
D
voorbeeld

Slide 22 - Quizvraag

Een inleiding kan verschillende functies hebben. Welke functie heeft de inleiding niet?
A
het onderwerp introduceren
B
aandacht trekken
C
een korte samenvatting geven
D
een advies geven

Slide 23 - Quizvraag

Wat is een 'aanbeveling'?
A
de schrijver beschrijft hoe een bepaalde theorie in de praktijk wordt toegepast
B
de schrijver geeft aan wat hij wil bereiken
C
de schrijver toont aan dat een bewering of argumentatie niet juist is
D
de schrijver komt tot een goede raad of advies, meestal aan einde artikel

Slide 24 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met: 'Citeer een zinsgedeelte uit de tekst'
A
neem 1 zin uit de tekst over
B
neem 1 woord uit de tekst over
C
neem een stukje zin uit de tekst over
D
neem een paar zinnen uit de tekst over

Slide 25 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met 'de aanleiding van een tekst'
A
Lezers aanraden om iets wel of niet te doen
B
De reden waarom iemand over een onderwerp schrijft.
C
Mensen zover krijgen dat ze jouw mening overnemen
D
De eerste alinea van een tekst

Slide 26 - Quizvraag

Als een antwoord impliciet in de tekst staat, dan
A
staat het letterlijk in de tekst
B
staat het in een andere tekst
C
moet je het antwoord tussen de regels door lezen
D
- dit woord bestaat niet

Slide 27 - Quizvraag

Wat betekent het woord nuancering?
Kies het beste antwoord
A
het tegenspreken van een bepaalde situatie of uitspraak
B
het opsommen van een bepaalde situaties of uitspraken
C
het verbeteren van een bepaalde situatie of uitspraak
D
het gedetailleerder maken van een bepaalde situatie of uitspraak

Slide 28 - Quizvraag

Wat betekent het woord 'anekdote'?
Kies het beste antwoord
A
kort, kenmerkend grappig verhaal
B
een duidelijk voorbeeld
C
inleiding tekst
D
een samenvatting van de inleiding

Slide 29 - Quizvraag

Wat zijn geen functiewoorden ?
Aanleiding, Stelling, Toelichting, Toekomstverwachting
A
aanleiding en toelichting
B
toelichting en toekomstverwachting
C
toekomstverwachting en stelling
D
het zijn allemaal functiewoorden

Slide 30 - Quizvraag

Over welke drogredenen hebben wij het hier?
Je hebt geen goede literaire smaak, want je leest Kluun en niet Grunberg. En mensen met een goede literaire smaak lezen Grunberg en niet Kluun.
A
ontduiken van bewijslast
B
cirkelredenering
C
een vals dilemma
D
vertekenen standpunt

Slide 31 - Quizvraag