U3 herhalen

Welcome!
Grab a pen(cil).

Thursday the 20th of March
- Herhalen U3 grammar
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welcome!
Grab a pen(cil).

Thursday the 20th of March
- Herhalen U3 grammar

Slide 1 - Tekstslide

3 options
1. You participate in the extra practice.
2. You do a worksheet in silence.
3. You study in silence.

Slide 2 - Tekstslide

Betekent 'kunnen' Je kunt het in alle werkwoordstijden gebruiken behalve de TT. 
Betekent 'kunnen', 'in staat zijn' of 'mogelijk zijn', en 'toegestaan'.  Je kunt het alleen gebruiken in TT.
Kun je gebruiken in de betekenis 'zou kunnen' / 'zou mogen'. Of in de verleden tijd, met als betekenis 'konden' / 'mochten'
can
could
to be able to

Slide 3 - Sleepvraag

Can / could / be able to
Gebruik = hulpwerkwoord ''kunnen''. 
Can
Kunnen
+ hele ww
TT
I can jump very far.

We can walk on the grass here, the sign says so.
 
I can help you if you want.
In staat zijn
 
Toegestaan

Mogelijk

Could 
Konden/
Zou kunnen
+ hele ww
VT
TT
She said I could help.

Could you hand me that please?
VT van can

TT beleefde vraag
[be] able to 
Kunnen
+ hele ww 

In alle andere tijden dan de TT
We were able to finish it in time.

kunnen (alle tijden behalve de TT)
in staan zijn

Alleen in staat zijn.

Slide 4 - Tekstslide

can - could - to be able to
I... (not) sleep last night.
A
can't
B
couldn't
C
wasn't able to

Slide 5 - Quizvraag

can - could - to be able to

You don't have to help me. I _______ do it
A
can
B
could
C
am able to

Slide 6 - Quizvraag

can - could - to be able to

Justin studies very hard. He ............. speak English perfectly now.

A
can
B
could
C
is able to

Slide 7 - Quizvraag

can - could - to be able to

He ______________ stay up late next weekend.
A
can
B
could
C
will be able to

Slide 8 - Quizvraag

can - could - to be able to

____________ I possibly have a moment of your time, please?
A
can
B
could
C
Am I able to

Slide 9 - Quizvraag

Choose: can - could - to be able to

____ download the file yesterday?

A
Can you
B
Could you
C
Were you able to

Slide 10 - Quizvraag

The Passive:
Write down everything you know about the passive.

Slide 11 - Open vraag

Passive (=lijdende vorm)
Gebruik: om aan te geven wat er gebeurt. Wát er gebeurd of gedaan wordt is dan belangrijker dan wie het doet. Het onderwerp is passief want het ondergaat iets, het doet zelf niets.

Active: Someone hacked my social media page last week. 
Passive: My social media page was hacked (by someone) last week. 

Tip! Als je 'by zombies' achter het werkwoord kan zetten is het een passive.
 
Vorm:
Present Simple Passive: am / is / are + (not) + voltooid deelwoord.
Past Simple Passive: was / were + (not) + voltooid deelwoord




Volt. deelwoord = 
ww + ed 
of
 3e rijtje

Slide 12 - Tekstslide

Stappenplan
1. In welke tijd staat de zin? (kijk naar andere werkwoorden, signaalwoorden zoals this morning).

2. Zet het lijdend voorwerp vooraan gevolgd door: 

A Tegenwoordige tijd = present simple passive -> am / is / are (not) + voltooid deelwoord.
B  Verleden tijd =              past simple passive -> was / were + voltooid deelwoord.
                                           
3. Plak (eventueel) by + het onderwerp achter het werkwoord. 
4. Schrijf de rest van de zin op. 

Slide 13 - Tekstslide

Make this sentence passive:
The teacher explained the passive.
timer
1:00

Slide 14 - Open vraag

Active to passive

The students understand the passive.
timer
1:00

Slide 15 - Open vraag

Change the sentence from active to passive:
"Julia rescued three cats."

Slide 16 - Open vraag

FILL IN THE PASSIVE
The clothes ____ (wash) every day.

Slide 17 - Open vraag

Active: Everyone must fill in the form.
Passive: The form ____ (fill) in by everyone today.

Slide 18 - Open vraag

Fill in the passive: I don't think this room.... (clean) yesterday.

Slide 19 - Open vraag

Future tenses

Slide 20 - Tekstslide

Future tenses
Present Simple
Present Continuous
To be going to
Will/Shall
Spontaan besluit, aanbod, belofte, vragen om een gunst.
Er zijn voorbereidingen getroffen
Voorspelling MET bewijs
Voorspelling 
ZONDER bewijs
Feiten en vast tijdschema's 
SHIT rule
Will / shall + hele ww
Am / are / is + going to + hele ww
Am / are / is + ww+ing

Slide 21 - Sleepvraag

The future: Fill in the correct future tense form.
Paul's sister ..... (have) a baby, she is pregnant.

Slide 22 - Open vraag

Fill in the correct future tense: I ... (stop) smoking next year.

Slide 23 - Open vraag

Fill in the future tense:

My father ........ (travel) to Germany next month. He's staying in München.

Slide 24 - Open vraag

Fill in using the right future tense:
The train .................. (leave) at ten past six.

Slide 25 - Open vraag

Fill in a future tense:
I guess I ____ (ask) her to come.

Slide 26 - Open vraag

Fill in the correct future tense form.
... I .... you to the store? (take)

Slide 27 - Open vraag

Relative pronouns

Slide 28 - Tekstslide

Welke Relative Pronouns zijn er?

Slide 29 - Woordweb

Do you remember the rules about the relative pronouns?
who
whose
which
that
whom
geen relative pronoun
bij personen
na een voorzetsel (bij personen)
bij dieren en dingen
 bij bezit (bij personen en dingen) 
mag who/which vervangen als er geen , is. 
als de relative pronoun geen onderwerp is in de bijzin. 

Slide 30 - Sleepvraag

Fill in the correct relative pronoun.
Use - for NO relative pronoun.
We’re going to the church __________I met Taffy.

Slide 31 - Open vraag

Fill in the correct relative pronoun.
Use - for NO relative pronoun.
"He was someone __ passion for nature matched mine perfectly."

Slide 32 - Open vraag

Fill in the correct relative pronoun.
Use - for NO relative pronoun.
"Are you the kind of person __ I could share my adventures with?"

Slide 33 - Open vraag

Fill in the correct relative pronoun:
Use - for NO relative pronoun.
That's the girl ______ bike was stolen

Slide 34 - Open vraag

Fill in the correct relative pronoun:
Use - for NO relative pronoun.
The car __ caused the accident was blue

Slide 35 - Open vraag

Fill in the correct relative pronoun
Use - for NO relative pronoun.
She likes hamburgers, ....... are hot.

Slide 36 - Open vraag

Next classes
Monday the 24th of March
Studiedag

Tuesday the 25th of March
H3 Amsterdam

Thursday the 27th of March
PW unit 3:
- Herhaal de vocabulary van unit 3 EN-NL & NL-EN.
- Leer de grammar van unit 3.
- Leer de phrases van unit 3.


Slide 37 - Tekstslide