wk 10 2V Voorzetselvoorwerp, zinsdeelstukken

Welkom 2v
Aan het einde van deze les weet/kun je:
-  een voorzetselvoorwerp herkennen.





1 / 52
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 52 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Welkom 2v
Aan het einde van deze les weet/kun je:
-  een voorzetselvoorwerp herkennen.





Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
  • Uitleg Voorzetselvoorwerp
  • Oefenen 
  • Afronden 




Slide 2 - Tekstslide

Lesdoel

Je kunt het voorzetselvoorwerp in een zin herkennen en benoemen.

Slide 3 - Tekstslide

Schrijf met je groepje op
Wat betekent de afkorting ? pv-ow-wg/ng-lv-mv-bwb
Hoe vind ik dit zinsdeel in een zin ? pv-ow-wg/ng-lv-mv-bwb

Ontleed de zin: Alle leerlingen uit de tweede klas verlangen naar de zomervakantie.

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

zorgen ...
vertrouwen ...
verlangen ...
houden ...
klagen ...
over
naar
van
voor
op

Slide 6 - Sleepvraag

Voorzetselvoorwerp
1. begint altijd met een voorzetsel ​
                                   én​ 
2. is altijd verbonden met het belangrijkste werkwoord van de zin.​

Slide 7 - Tekstslide

Voorzetselvoorwerp
verlangen naar           Zij verlangt naar een warme zomer.
vertrouwen op           De blinde man vertrouwt op zijn hond.
zorgen voor                 De jongen zorgt voor zijn oma.
klagen over                  De klas klaagt over de moeilijke toets.

Het zinsdeel dat begint met het vaste voorzetsel is het voorzetselvoorwerp

Slide 8 - Tekstslide

Even oefenen
In de volgende zinnen moet je het voorzetselvoorwerp benoemen.

Slide 9 - Tekstslide

Is het zinsdeel tussen haakjes een voorzetselvoorwerp?
Waarom zou je (aan jezelf) twijfelen?
A
Ja
B
Nee

Slide 10 - Quizvraag

Is het zinsdeel tussen haakjes een voorzetselvoorwerp?
Ik wacht al uren (bij de trein).
A
Ja
B
Nee

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het zinsdeel tussen haakjes?

Ik heb (voor jou) een schilderij gemaakt.
A
voorzetselvoorwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 12 - Quizvraag

Ik weet hoe ik het voorzetselvoorwerp
kan vinden in een zin en kan zelfstandig aan de slag
😒🙁😐🙂😃

Slide 13 - Poll

Aan de slag - Cursus 5 Grammatica
Wat: Par 5 Voorzetselvoorwerp: Opdracht 1 tm 6
Hoe: Tweetallen
Nodig: boek en schrift
Tijd: 15 min
Hulp: docent 
Geluid: zachtjes overleggen
Klaar: Nieuws lezen
timer
15:00

Slide 14 - Tekstslide

Wat is het voorzetselvoorwerp in de zin?

De politie waarschuwde hem voor de laatste keer.

Slide 15 - Open vraag

Wat is het voorzetselvoorwerp in de zin ?
Op het besluit van de commissie wilde de woordvoerder niet vooruitlopen.

Slide 16 - Open vraag

Wat is het voorzetselvoorwerp in de zin ?

Wandelsporters moeten zorgen voor goed schoeisel en waterdichte kleding.

Slide 17 - Open vraag

De gele bordjes verwijzen naar de nooduitgang van de bioscoop.

Slide 18 - Open vraag

Noud probeert te profiteren van de onwetendheid van zijn ouders.

Slide 19 - Open vraag

Nanda informeert naar de vertrektijd van de bus.

Slide 20 - Open vraag

Wat weet je nu over het voorzetselvoorwerp?

Slide 21 - Woordweb

Wat heb je deze les geleerd?

Slide 22 - Woordweb

Ik weet nu hoe ik het voorzetselvoorwerp
kan vinden in een zin
😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll

Heb je nog een vraag over deze les?

Slide 24 - Woordweb

Afronden
Aan het einde van deze les:
- kun je een voorzetselvoorwerp vinden in een zin.

Huiswerk:
Zorg dat van Paragraaf 5 Voorzetselvoorwerp opdracht 1 tm 6 af zijn.

Slide 25 - Tekstslide

Welkom 2v
Aan het einde van deze les weet/kun je:
-  het wederkerig en wederkerend voornaamwoord herkennen.

- bepalen of zinnen met een wederkerend werkwoord 'verplicht' wederkerend zijn of 'toevallig' wederkerend.
- bepalen of het wederkerend voornaamwoord een lijdend voorwerp is of onderdeel van het werkwoordelijk gezegde.






Slide 26 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
  • Uitleg: Wederkerend en wederkerig voornaamwoorden
  • Oefenen 
  • Afronden 




Slide 27 - Tekstslide

Lesdoel

Je kunt het voorzetselvoorwerp in een zin herkennen en benoemen.

Slide 28 - Tekstslide

De gele bordjes verwijzen naar de nooduitgang van de bioscoop.

Slide 29 - Open vraag

Noud probeert te profiteren van de onwetendheid van zijn ouders.

Slide 30 - Open vraag

Lesdoel par. 4 

Je kunt wederkerig en wederkerend voornaamwoorden herkennen.

Slide 31 - Tekstslide

vwo2- C.5-§4-wederkerig en wederkerend vnw
Bekijk de volgende zin:
Julie en Isra beschuldigen elkaar ervan dat ze zich bij het groepswerk te weinig inzetten.

In een wederkerig of een wederkerend voornaamwoord zie je het onderwerp ‘wederkeren’ (terugkomen). 

In de voorbeeldzin is elkaar een wederkerig voornaamwoord (wedig.vnw). Het Nederlands heeft er maar één: elkaar. Soms wordt het geschreven als mekaar of elkander.

Slide 32 - Tekstslide

vwo2- C.5-§4-wederkerig en wederkerend vnw
Julie en Isra beschuldigen elkaar ervan dat ze zich bij het groepswerk te weinig inzetten.


In de voorbeeldzin is zich een wederkerend voornaamwoord (wed.vnw)

Het komt voor bij wederkerende werkwoorden: zich schamen, zich voornemen. Welk wederkerend voornaamwoord (vet) je gebruikt, hangt dus af van het onderwerp (onderstreept):

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Verplicht wederkerende werkwoorden hebben altijd een wed.vnw bij zich (zich vergissen, zich schamen):


– Wij vergisten ons in het perron, zodat we in de verkeerde trein stapten.
– Ik schaamde me voor die botte opmerking.

Slide 35 - Tekstslide

Toevallig wederkerende werkwoorden hebben soms wel, soms niet een wed.vnw bij zich (zich bezeren, zich amuseren); alleen toevallig wederkerende werkwoorden kunnen mezelf, jezelf, zichzelf en onszelf bij zich hebben:

– Bo bezeerde haar voet. Mika bezeerde zich / zichzelf toen hij van zijn fiets viel.
– De spreker amuseert zijn publiek. Wij amuseren ons / onszelf prima samen.

Slide 36 - Tekstslide

De wederkerende voornaamwoorden mezelf, jezelf, zichzelf en onszelf komen dus alleen voor bij toevallig wederkerende werkwoorden (zich wassen, zich scheren) en niet bij verplicht wederkerende werkwoorden (zich verslikken, zich vergissen):

Slide 37 - Tekstslide

Meneer Van het Hof scheert zichzelf het liefst met een scheermesje.

Ik bemoei *mezelf nooit met de ruzies van anderen. (* betekent ongrammaticaal)

Slide 38 - Tekstslide

Het woord zich is altijd wederkerend voornaamwoord, maar me, je en ons kunnen ook persoonlijk voornaamwoord zijn. 

Daarnaast kunnen je en ons bezittelijk voornaamwoord zijn.


Stel de woordsoort vast door me, je of ons te vervangen door hij, hem, zijn of zich.

Slide 39 - Tekstslide

vwo2- C.5-§4-wederkerig en wederkerend vnw
door hij of hem, dan is het een persoonlijk voornaamwoord;

door zijn, dan is het een bezittelijk voornaamwoord;

door zich, dan is het een wederkerend voornaamwoord.



Slide 40 - Tekstslide

vwo2- C.5-§4-wederkerig en wederkerend vnw
Stel de woordsoort vast door me, je of ons te vervangen door hij, hem, zijn of zich.
door hij of hem, dan is het een persoonlijk voornaamwoord;
door zijn, dan is het een bezittelijk voornaamwoord;
door zich, dan is het een wederkerend voornaamwoord.

Voorbeeld:
Kun je (1) je (2) voorstellen dat je (3) zusje de hoofdrol krijgt in de musical van groep 8?

1 = ?
2 = ?
3 = ?

Slide 41 - Tekstslide

vwo2- C.5-§4-wederkerig en wederkerend vnw
Voorbeeld:
Kun je (1) je (2) voorstellen dat je (3) zusje de hoofdrol krijgt in de musical van groep 8?

Kan hij (1) zich (2) voorstellen dat zijn (3) zusje de hoofdrol krijgt in de musical van groep 8?

‘Je’ (1) verandert in ‘hij’ en is dus een persoonlijk voornaamwoord.
‘Je’ (2) verandert in ‘zich’ en is dus een wederkerend voornaamwoord.
‘Je’ (3) verandert in ‘zijn’ en is dus een bezittelijk voornaamwoord.

Slide 42 - Tekstslide

Even checken. Wie vertelt mij nog even wat we zojuist hebben gehoord?


Geen vingers, ik geef de beurt aan ..............................................

Slide 43 - Tekstslide

Ik weet hoe ik het wederkerig en de wederkerendevoornaamwoorden
kan vinden in een zin en kan zelfstandig aan de slag
😒🙁😐🙂😃

Slide 44 - Poll

Aan de slag - Cursus 5 Grammatica
Wat: Par 4 Wederkerig en wederkerend voornaamwoorden: opdr 1 en 2
Hoe: Tweetallen
Nodig: boek en schrift
Tijd: 10 min
Hulp: docent 
Geluid: zachtjes overleggen
Klaar: Ga door met 3 en 4, na 10 min bespreken.
timer
10:00

Slide 45 - Tekstslide

Lesdoel par. 3 Gezegde en lv 
- bepalen of zinnen met een wederkerend werkwoord 'verplicht' wederkerend zijn of 'toevallig' wederkerend.
 
- bepalen of het wederkerend voornaamwoord een lijdend voorwerp is of onderdeel van het werkwoordelijk gezegde.

Slide 46 - Tekstslide

Lijdend vw of gezegde?
Bekijk de volgende zinnen:
1a Gedroeg jij je verdacht volgens de politieagent?
2a Deze kapper scheert zich altijd met water en scheerzeep.

In deze zinnen zijn de werkwoorden gedragen en scheren wederkerende werkwoorden en de woorden je en zich zijn wederkerende voornaamwoorden. Het onderwerp van de zin ‘keert weder’ (= komt terug) in de woorden je (= jij) en zich (= de kapper).

Slide 47 - Tekstslide

Lijdend vw of gezegde?
1a Gedroeg jij je verdacht volgens de politieagent?
2a Deze kapper scheert zich altijd met water en scheerzeep.

Bij verplicht wederkerende werkwoorden (zich schamen, zich uitsloven) hoort altijd een wederkerend voornaamwoord (me, je, zich, ons). Je kunt immers niet een ander schamen of uitsloven.

In een zin met een verplicht wederkerend werkwoord (1a) hoort het wederkerend voornaamwoord (me, je, zich, ons) bij het werkwoordelijk gezegde; het is geen lijdend voorwerp:

Slide 48 - Tekstslide

Lijdend vw of gezegde?
1a Gedroeg jij je verdacht volgens de politieagent?
2a Deze kapper scheert zich altijd met water en scheerzeep.

Bij toevallig wederkerende werkwoorden (zich aankleden, zich verbazen) hoort niet altijd een wederkerend voornaamwoord (me, je, zich, ons). Je kunt jezelf aankleden of verbazen, maar je kunt ook een ander aankleden of verbazen.

In een zin met een toevallig wederkerend werkwoord (2a) hoort het wederkerend voornaamwoord níét bij het werkwoordelijk gezegde; het is lijdend voorwerp:

Slide 49 - Tekstslide

Verplicht of toevallig?
Bij verplicht wederkerende werkwoorden in zinnen kun je voor het wederkerend voornaamwoord geen andere persoon invullen, bij toevallig wederkerende werkwoorden (zin 2a en 2b) meestal wel;

Ook kun je geen ‘zelf’ vastplakken aan het wederkerend voornaamwoord, bij toevallig wederkerende werkwoorden meestal wel:

– 1b Gedroeg jij *je broertje / *jezelf verdacht volgens de politieagent? (* betekent ‘ongrammaticaal’).
– 2b Deze kapper scheert zijn klanten / zichzelf altijd met water en scheerzeep.

Slide 50 - Tekstslide

Aan de slag - Cursus 5 Grammatica
Wat: Par 3 Wederkerig en wederkerend voornaamwoorden: opdr 1 en 2
Hoe: Tweetallen
Nodig: boek en schrift
Tijd: 10 min
Hulp: docent 
Geluid: zachtjes overleggen

Klaar: Ga door met 3 en 4, na 10 min bespreken.
timer
10:00

Slide 51 - Tekstslide

Afronden
Aan het einde van deze les:
- kun je het wederkerig voornaamwoord en de wederkerende voornaamwoorden herkennen in een zin.

Huiswerk:
Zorg dat van Paragraaf 3 opdracht 1 tm 6 af is.
Zorg dat van Paragraaf 4 opdracht 1 tm 4 af is.


Slide 52 - Tekstslide