genen en allelen

In welke twee soorten cellen kunnen we onze cellen indelen?
A
zaadcellen en eicellen
B
eicellen en lichaamscellen
C
geslachtscellen en lichaamscellen
D
zaadcellen en hersencellen
1 / 20
volgende
Slide 1: Quizvraag
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

In welke twee soorten cellen kunnen we onze cellen indelen?
A
zaadcellen en eicellen
B
eicellen en lichaamscellen
C
geslachtscellen en lichaamscellen
D
zaadcellen en hersencellen

Slide 1 - Quizvraag

Waar is een chromosoom uit opgebouwd?
A
DNA
B
DNA en oproleiwitten
C
DNA en celkern
D
DNA en genotype

Slide 2 - Quizvraag

Welke twee 'typen' chromosomen komen bij mensen voor?
A
Autosome chromosomen en geslachtschromosomen
B
Autonome chromosomen en geslachtschromosomen
C
Autosome chromosomen en normale chromosomen
D
Autonome chromosomen en normale chromosomen

Slide 3 - Quizvraag

Hoeveel chromosomen bevat een menselijke eicel?
A
13
B
23
C
36
D
46

Slide 4 - Quizvraag

Een vos heeft 19 chromosomen in haar eicellen. Hoeveel chromosomen bevat een lichaamscel?
A
10
B
19
C
38
D
72

Slide 5 - Quizvraag

Een cel van een bepaald organisme bevat 17 chromosomen. Kan dit een geslachtscel zijn? en een lichaamscel?
A
alleen een geslachtscel
B
alleen een lichaamscel
C
zowel een geslachtscel als een lichaamscel
D
geen van beide

Slide 6 - Quizvraag

Chromosomen en genen

Slide 7 - Tekstslide

Doel van de les
  • Je kunt omschrijven wat genen en allelen zijn. 
  • Je kent de begrippen heterozygoot en homozygoot 

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Genen
  • Een chromosoom bevat de informatie voor meerdere erfelijke eigenschappen

  • Gen: een gedeelte van het chromosoom met informatie voor één erfelijke eigenschap.
Cel en DN

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Gen = een gedeelte van het chromosoom met informatie voor één erfelijke eigenschap.


Allel = 1 van de genen van een genenpaar/ variant van een gen

Slide 13 - Tekstslide

Heterozygoot of
homozygoot

Homozygoot = wanneer iemand twee gelijke allelen heeft. 
 
Heterozygoot = wanneer iemand twee ongelijke allelen heeft. 
Cel en DN

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Dominant allel = allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype
→ weergeven met hoofdletter: bijv. A

Recessief allel = een allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant allel aanwezig is
→ weergeven met kleine letter: bijv. a

DUS:
homozygoot = AA of aa
heterozygoot = Aa

Slide 17 - Tekstslide

Is de persoon met de allelen hiernaast heterozygoot of homozygoot?
A
Heterozygoot
B
Homozygoot

Slide 18 - Quizvraag

Welk allel is recessief?
A
Allel voor steil haar
B
allel voor krullend haar

Slide 19 - Quizvraag

Huiswerk
               Reader:
- lezen theorie 1.1 t/m 1.7 blz 4 t/m 8
- maken 3.1 vraag 8 t/m 15 .blz 17
 

Slide 20 - Tekstslide