Opdracht: Bespreek samen wat de functie van 'zullen' is in de zinnen.
Kies uit: belofte, voorstel, toekomst, waarschijnlijkheid.
1. We zullen om 08:00 uur vertrekken. (toekomst)
2. Zullen we vanavond naar de film gaan? (voorstel)
3. Ik zal een cadeau voor je kopen. (belofte)
4. Hij heeft de bus gemist, dus hij zal wel te laat komen. (waarschijnlijkheid)