Het werkwoord zullen

Welkom!
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 75 min

Onderdelen in deze les

Welkom!

Slide 1 - Tekstslide

Planning
  • Het werkwoord 'zullen' in 4 situaties. 
  • Schrijven: een voorstel doen  

Slide 2 - Tekstslide

Het werkwoord 'zullen'
 1. Voorkennis: Wat weet je al?
     Opdracht: Bespreek samen wat de functie van 'zullen' is in zinnen.
2. Instructie/uitleg
    Wat zijn de functies van het werkwoord 'zullen'.
3. Oefenen
    Opdracht A: zoek de twee delen bij elkaar. 
    Opdracht B: schrijf zinnen met 'zullen'.
    Opdracht C: een voorstel doen 
4. Terugkijken

Slide 3 - Tekstslide

Doelen: Aan het eind van deze les ...
- kun je een aantal functies van het werkwoord 'zullen' benoemen;

- kun je 'zullen' op de goede manier gebruiken in een zin;

- kun je 'zullen' gebruiken om een voorstel te doen. 

Slide 4 - Tekstslide

Het werkwoord 'zullen'
Ik zal
Jij / u zal/zult
Hij / zij zal
Wij zullen
Jullie zullen
Zij zullen

  • Zullen is een hulpwerkwoord. ​
  • Zullen staat daarom nooit als enige​ werkwoord in een zin.​
  • Een hulpwerkwoord staat altijd met minimaal één ander werkwoord in de zin.





Slide 5 - Tekstslide

1. Voorkennis: Wat weet je al?
Opdracht: Bespreek samen wat de functie van 'zullen' is in de zinnen.

Kies uit: belofte, voorstel, toekomst, waarschijnlijkheid. 


  1. We zullen om 08:00 uur vertrekken.
  2. Zullen we vanavond naar de film gaan?
  3. Ik zal een cadeau voor je kopen. 
  4. Hij heeft de bus gemist, dus hij zal wel te laat komen.  


timer
5:00

Slide 6 - Tekstslide

Antwoorden
Opdracht: Bespreek samen wat de functie van 'zullen' is in de zinnen.
Kies uit: belofte, voorstel, toekomst, waarschijnlijkheid.

1. We zullen om 08:00 uur vertrekken. (toekomst)
2. Zullen we vanavond naar de film gaan? (voorstel)
3. Ik zal een cadeau voor je kopen. (belofte)
4. Hij heeft de bus gemist, dus hij zal wel te laat komen. (waarschijnlijkheid)


Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

2. Uitleg: functies van 'zullen'
  1. Toekomst 
  2. Voorstel doen​
  3. Belofte/afspraak 
  4. Waarschijnlijkheid​





Slide 9 - Tekstslide

1. Toekomst
Je kunt zullen gebruiken om iets te zeggen wat in de​ toekomst gaat gebeuren. ​

De zin bestaat uit:​ ‘zullen’ + infinitief

​Bijvoorbeeld:​
  • De trein zal over een paar minuten aankomen.​
  • De koning zal volgende maand Rotterdam bezoeken.​​



Slide 10 - Tekstslide

2. Een voorstel doen
Je kunt met zullen iets aan iemand voorstellen.​


De zin bestaat uit:​ ‘zullen’ + infinitief
                              de zin heeft de vorm van een vraag​

​Bijvoorbeeld:​
  • Zullen we naar de film gaan?​
  • Zal ik je morgen even helpen?​​



Slide 11 - Tekstslide

3. Een belofte/afspraak 
Je kunt met zullen iets aan iemand beloven/een afspraak​ maken om bijv. iets te doen of ergens te zijn.​


​De zin bestaat uit:​ ‘zullen’ + infinitief

​Bijvoorbeeld:​
  • Ik zal je morgen helpen.​
  • We zullen er om 12:00 uur zijn.​
  • Ik zal je om 14:00 uur ophalen.  



Slide 12 - Tekstslide

4. Waarschijnlijkheid
Je kunt met zullen aangeven dat je verwacht dat iets​ gebeurt. Je weet het bijna zeker.

​De zin bestaat uit:​ ‘zullen’ + infinitief
                              vaak wordt het woordje ‘wel’ toegevoegd​

​Bijvoorbeeld:​
  • Hij is niet op school. Hij zal wel ziek zijn.​
  • Ze zullen zich wel verslapen hebben.​
  • De lucht is donker, het zal wel gaan regenen. 



Slide 13 - Tekstslide

Opdracht A
Opdracht: Zoek de twee delen van de zin bij elkaar. Schrijf de zinnen in je schrift. 
Klaar? Vergelijk in duo's de antwoorden. 

timer
5:00
1. Hij zal vandaag
2. Zal ik 
3. Prinses Amalia
4. Ik zal 
5. Zullen we 


a. morgen je boek teruggeven. 
b. zal wel met de taxi komen.
c. vanavond voor je koken?
d. samen het huiswerk maken? 
e. wel moeten werken.

Slide 14 - Tekstslide

Antwoorden
Opdracht: Zoek de twee delen van de zin bij elkaar. Schrijf de zinnen in je schrift. 
Klaar? Vergelijk in duo's de antwoorden. 

timer
5:00
1. Hij zal vandaag          e. wel moeten werken.
2. Zal ik                          c. vanavond voor je koken?
3. Prinses Amalia           b. zal wel met de taxi komen.
4. Ik zal                          a. morgen je boek teruggeven. 
5. Zullen we                   d. samen het huiswerk maken? 


Slide 15 - Tekstslide

Opdracht B
Opdracht: Schrijf twee zinnen met 'zullen'. 
Gebruik één keer enkelvoud en één keer meervoud.



Kies uit: 
Toekomst
Voorstel doen
Belofte
Waarschijnlijkheid
timer
14:00

Slide 16 - Tekstslide

Een voorstel doen
Werkblad
(in tweetallen) 

Slide 17 - Tekstslide

Opdracht C
Opdracht: Gebruik 'zullen' in de verschillende functies buiten de school.


Schrijf vijf zinnen 'zullen' die jij buiten de school kunt gebruiken. Neem het lijstje met de zinnen mee naar huis. Zet een kruisje als je de zin hebt gebruikt.





Slide 18 - Tekstslide

Noem de functies van het werkwoord 'zullen'.

Slide 19 - Open vraag

Ik kan het werkwoord 'zullen' nu zelf gebruiken.
Ja, dat kan ik nu wel.
Ik begrijp de functies, maar ik moet meer oefenen.
Ik ken de functies nog niet goed genoeg.

Slide 20 - Poll

Slide 21 - Tekstslide