WIE gebruik je voor mensen
WAARMEE gebruik je voor dingen/dieren
De jongen MET WIE ik naar het feest ging.
Het meisje BIJ WIE ik achterop de fiets stapte.
De Lego WAARMEE ik speelde.
De cadeautjes WAARMEE ik naar het feest ging.
Het konijn WAARMEE ik fijn kon knuffelen.
De kinderen MET WIE ik speelde.