19 maart: Cursus 5 Woordsoorten. Oefenen met ww, lw, zn, bn, st.bn. en vz

19 maart: Oefenen cursus 5 alle woordsoorten 
Mavo 1 periode 4
week 26 1e les (19 maart)
Online opdrachten checken. Laptop voor quiz. Oefenblad woordsoorten uitdelen.
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

19 maart: Oefenen cursus 5 alle woordsoorten 
Mavo 1 periode 4
week 26 1e les (19 maart)
Online opdrachten checken. Laptop voor quiz. Oefenblad woordsoorten uitdelen.

Slide 1 - Tekstslide

Welkom 
plattegrond: 

timer
5:00

Slide 2 - Tekstslide

Planning
Lezen: in je eigen leesboek!
Startopdracht
Herhalen ww-spelling t.t. v.t. en vd
Quiz woordsoorten 5.1 ,5.3, 5.5, 5.7
~pauze~
Zelfstandig oefenen alle woordsoorten
Afsluiting

timer
10:00

Slide 3 - Tekstslide

Startopdracht
Maak een zin bij dit plaatje waarin
alle woordsoorten zit: 
ww, lw, zn, (st.)bn, vz/vvz 

Vervoeg het werkwoord leren in de t.t. en de v.t. en schrijf het vd. op. 
Denk aan het ww-schema (en het 't sexy fokschaap). 

timer
5:00

Slide 4 - Tekstslide

Doel 



Woordsoorten: 
  • Je kent deze woordsoorten en kunt woorden benoemen: 
werkwoorden, (onbepaalde en bepaalde) lidwoorden, zelfstandige naamwoorden en (stoffelijk) bijvoeglijke naamwoorden en voorzetsels. 
Werkwoorden vervoegen: 
  • Je weet hoe je een werkwoord in de t.t. de v.t. moet benoemen. 
  • Je weet hoe je het voltooid deelwoord moet schrijven. 
  • Je kunt het ww-schema toepassen. 

Slide 5 - Tekstslide

Huiswerk check✓
opdracht 4 blz. 213
1 YouTube = zn
mag = ww
2 de = blw
uur = zn
3 het = blw
Mozart-effect = zn
4 ruimtelijke = bn
verbeteren = ww

5 recent = bn
voor = vz
6 overtuigender = bn
met = vz
een = olw


7 bij = vz
klusjes = zn
prettig = bn
8 helpt = ww
via = vz
overstemt = ww


Slide 6 - Tekstslide

Huiswerk check✓
opdracht 5 blz. 213
1. concentreren op
2. barsten van
3. denken aan
6. afleiden van
7. leiden tot
8. luisteren naar

Rachel concentreert zich op haar huiswerk.
Het barst in deze sloot van de vissen!
Elias denkt de hele dag aan zijn vriendin.
Wil je mij niet zo afleiden van mijn werk met je geklets?
De langdurige hitte leidt tot droogte.
De klas luistert naar de uitleg van de leraar.


Slide 7 - Tekstslide

Huiswerk check✓
Online 7.10 opdracht 1 

https://apps.noordhoff.nl/se/content/theme/63680893-a31a-451d-90da-57b8435309c2/dashboard

Online 7.12 opdracht 2 

Slide 8 - Tekstslide

Grammatica: Woordsoorten



  1. werkwoord: wat iets of iemand doet of overkomt. (ww met onduidelijke betekenis: hebben, kunnen, zijn, mogen)
  2. lidwoord(lw): blw: de, het |  olw: een 
  3. zelfstandig naamwoord: mens, dier, ding, gevoel, namen. Kan je meestal de, het of een vóór zetten, meervoud en verkleinwoord van maken. 
  4. bijvoeglijk naamwoord: zegt iets van een zn. De rode auto. De hond is groot. De houten deur. stoffelijk bn (st.bn): zegt waarvan het gemaakt is. Het houten bankje. De stoffen tas. De plastic fles. 
  5. voorzetsel: geeft plaats, tijd, oorzaak, reden aanonder, tussen, vanwege

Slide 9 - Tekstslide

Werkwoorden vervoegen



                t.t. 
ik 
ander
meer 
                  v.t. 
ik 
ander
meer 
wij hebben/zijn 

Slide 10 - Tekstslide

Ezelsbruggetje: 't sexy fokschaap
 Kijk naar de STAM van het werkwoord (= hele ww -en): 

Zie je een medeklinker uit 't sexy fokschaap: 
 t, k, f, s, ch[s] en p 

Dan schrijf je -te en -ten achter de stam en bij het voltooid dw.  

Slide 11 - Tekstslide

Huiswerk check✓
Oefenblad 1 werkwoorden.
Maak thuis oefenblad ww 2. 

Slide 12 - Tekstslide

Inoefenen
Quiz: kan jij woordbenoemen? 
timer
10:00

Slide 13 - Tekstslide


Kies de juiste woordsoort.
Je moet ook nooit cola drinken bij de computer.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Lidwoord
C
Bijvoeglijk naamwoord
D
Werkwoord

Slide 14 - Quizvraag


Kies de juiste woordsoort.
Ik fiets nog snel even naar de winkel.
A
Bepaald lidwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Bijvoeglijk naamwoord
D
Voorzetsel

Slide 15 - Quizvraag


Kies de juiste woordsoort.
Gisteravond heb ik een film gekeken.
A
Onbepaald lidwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Bijvoeglijk naamwoord
D
Stoffelijk bijvoeglijk naanwoord

Slide 16 - Quizvraag


Kies de juiste woordsoort.
Gelukkig mag ik straks weer naar huis.  
A
Werkwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Bijvoeglijk naamwoord
D
Voorzetsel

Slide 17 - Quizvraag


Ik heb hele goede cijfers op mijn rapport!  
A
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Bijvoeglijk naamwoord
D
Werkwoord

Slide 18 - Quizvraag


Die plastic fles staat in de koelkast.   
A
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Bijvoeglijk naamwoord
D
Werkwoord

Slide 19 - Quizvraag


Ik zoek de betekenis van het woord straks even op. 

A
Zelfstandig naamwoord
B
Bepaald lidwoord
C
Bijvoeglijke naamwoord
D
Voorzetsel

Slide 20 - Quizvraag


Ik zoek de betekenis van het woord straks even op. 

A
Zelfstandig naamwoord
B
Bepaald lidwoord
C
Bijvoeglijke naamwoord
D
Voorzetsel

Slide 21 - Quizvraag


Kies de juiste woordsoort.
De bakker heeft verschillende broden gebakken in de oven.
A
Bijvoeglijk naamwoord
B
Lidwoord
C
Zelfstandig naamwoord
D
Voorzetsel

Slide 22 - Quizvraag


Kies de juiste woordsoort.
De bakker heeft verschillende broden gebakken in de oven.
A
Bijvoeglijk naamwoord
B
Onbepaald lidwoord
C
Zelfstandig naamwoord
D
Voorzetsel

Slide 23 - Quizvraag


Kies de juiste woordsoort.
Ik heb gisteren drie hoofdstukken in mijn boek gelezen!
A
Lidwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Zelfstandig naamwoord
D
Werkwoord

Slide 24 - Quizvraag


Kies de juiste woordsoort.
Ik heb gisteren drie hoofdstukken in mijn boek gelezen!
A
Lidwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Zelfstandig naamwoord
D
Werkwoord

Slide 25 - Quizvraag


Kies de juiste woordsoort.
Mijn fantastische opa is een held. 
A
Lidwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Zelfstandig naamwoord
D
Werkwoord

Slide 26 - Quizvraag


Op zaterdag slaapt mijn oudere broer altijd heel lang uit. 
A
Bepaald lidwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Zelfstandig naamwoord
D
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

Slide 27 - Quizvraag


Vanwege zijn werk slaapt mijn broer zaterdag altijd heel lang uit. 
A
Onbepaald lidwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 28 - Quizvraag

timer
5:00

Slide 29 - Tekstslide

Aan het werk
Oefen de woordsoorten met de zinnen van het oefenblad. 
timer
10:00

Slide 30 - Tekstslide

Aan het werk
Controleer je werk: 
timer
10:00

Slide 31 - Tekstslide

Afsluiting
Check de doelen bij jezelf: 
  1. Ik weet wat werkwoorden, lidwoorden, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voorzetsels zijn. 
  2. Ik kan ze herkennen en benoemen. 
timer
5:00

Slide 32 - Tekstslide

Volgende les 20 maart: 
Oefenen met woordsoorten en ww-spelling 


 Huiswerk: 
5.9 Online woordsoorten
7.14 Online werkwoordspelling
Leer de woordsoorten en weet hoe je ze moet benoemen! 
Leer het ww-schema t.t. v.t. en vd.
25 maart: SO Woordsoorten en 
WW-spelling. 

Slide 33 - Tekstslide