Clase de español 13

¡Vamos a hablar español! clase 13
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

¡Vamos a hablar español! clase 13

Slide 1 - Tekstslide

Programa de hoy
Opdrachten maken/nakijken
Los meses del año 
Días festivos en España
Forma impersonal
Fiestas de España: video
Presente (pretérito) Perfecto
 

Slide 2 - Tekstslide

Opdrachten maken/nakijken
Blz. 13t/m 19, 41 t/m 46 en 73
Woordenschat
Lidwoorden
Meervoud
Begrijpend lezen
Familieleden
Bijvoeglijke naamwoorden
Werkwoorden
Ser/Estar
De weg wijzen

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

¿En qué mes es tu cumpleaños?
Mi cumpleaños es en.....

Slide 5 - Tekstslide

¿Cuál es tu fiesta favorita y por qué?

Slide 6 - Open vraag

Busca los días festivos en España

Slide 7 - Tekstslide

Grámatica - Forma impersonal
Deze lijdende vorm gebruik je wanneer een zin niet een specifiek onderwerp heeft, maar als er over iets algemeens wordt gesproken (generaliseren) of wanneer je iets omschrijft.

Se+ ww. in de 3e pers. enkelv. (él/ella/usted) of 3e pers. meerv. (ellos/ellas/ustedes).

En Holanda se celebra...
En España se vive...
En Italia se come...

Het zelfstandig naamwoord geeft aan of het enkelvoud of meervoud is.
Se exporta vino / Se exportan naranjas.


Slide 8 - Tekstslide

Se + werkwoord + zelfstandig naamwoord
Se come pan
Se comen naranjas

Se habla español
Se hablan muchas lenguas

Se canta una canción
Se cantan muchas canciones

Slide 9 - Tekstslide

En España _______(comer) pescado durante nochevieja.

Slide 10 - Open vraag

______(buscar) actores para una nueva película.

Slide 11 - Open vraag

En este país ______ (beber) demasiado.

Slide 12 - Open vraag

Slide 13 - Tekstslide

Ahora tú:
¿Cómo se dice en la forma impersonal ''ze vieren drie koningen in Spanje''?

Slide 14 - Open vraag

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

Verdadero o falso:
En España siempre se celebra Carnaval en la misma fecha.
A
Verdadero
B
Falso

Slide 17 - Quizvraag

Responde en Holandés:
¿Cuándo se celebra la Semana Santa?

Slide 18 - Open vraag

¿Qué se hace mucho durante la Feria de Abril?
A
Samen zijn met familie met veel lekker eten en drinken.
B
De mensen dansen en daarbij wordt veel gegeten en gedronken.
C
Jongeren gaan de straat op met hun vrienden.

Slide 19 - Quizvraag

¿Porqué se celebra La Noche de San Juan?
A
Om de lente af te sluiten.
B
Om het begin van de zomer te vieren.

Slide 20 - Quizvraag

¿Dónde se celebra la Tomatina?
A
In Valencia.
B
In Puñol, een dorpje dichtbij Valencia.
C
Door het hele land.

Slide 21 - Quizvraag

¿Cuándo se celebra la Tomatina?
A
Op de laatste dag van de maand augustus.
B
Op de laatste woensdag van augustus.
C
Verschilt ieder jaar.

Slide 22 - Quizvraag

Presente (Pretérito) Perfecto

Slide 23 - Tekstslide

El pretérito perfecto

Slide 24 - Tekstslide

abrir (openen)                     - abierto
descubrir (ontdekken)     - descubierto
hacer (doen/maken)         - hecho
poner (leggen/zetten)      - puesto
ver (zien)                              - visto
decir (zeggen)                    - dicho
escribir (schrijven)             - escrito
ir (gaan)                                - ido
ser (zijn)                                - sido
volver (terugkeren)            - vuelto
morir (sterven)                    - muerto
romper (kapot maken)     - roto

Werkwoorden met een onregelmatige vervoeging van het voltooid deelwoord:

Slide 25 - Tekstslide

¿Cuándo usamos el pretérito perfecto?
  • We gebruiken de Pretérito Perfecto 
als we praten over acties die in het 
verleden hebben plaatsgevonden,
maar nog een relatie hebben met 
het heden.

Tijdsaanduidingen

Slide 26 - Tekstslide

Pretérito Perfecto

Slide 27 - Tekstslide

De pretérito perfecto:
Kies de juiste vorm van vivir, ellos
A
viven
B
han vividos
C
ha vivido
D
han vivido

Slide 28 - Quizvraag

Pretérito perfecto: Viajar (ella)
A
viaja
B
ha viajado
C
ha viajada
D
han viajado

Slide 29 - Quizvraag

Zet het werkwoord tussen haakjes in de Pretérito perfecto:
Nosotros .............................(comprar) mucha ropa.
A
he comprar
B
hemos comprado
C
he comprado
D
hemos comprar

Slide 30 - Quizvraag

Zet het werkwoord tussen haakjes in de Pretérito perfecto:
Esta semana......................... (comer, yo) paella.
A
ha comido
B
he comedo
C
he comido
D
ha comedo

Slide 31 - Quizvraag

Kies voor de juiste vorm van de Pretérito perfecto
romper (él ella,usted)
A
He rompido
B
Has roto
C
Ha roto
D
Han roto

Slide 32 - Quizvraag

Kies voor de juiste vorm van de Pretérito perfecto
escribir (vosotros)
A
Habéis escribido
B
Habéis escrito
C
Héis escrito
D
Han escrito

Slide 33 - Quizvraag

Hoe zeg je "ik heb de pretérito perfecto geleerd"?
A
he aprendido el pretérito perfecto
B
Ha aprendido el pretérito perfecto
C
Has aprendido el pretérito perfecto
D
He aprendiedo el pretérito perfect

Slide 34 - Quizvraag

De pretérito perfecto:
Kies de juiste vorm van comer, yo
A
he comido
B
hemos comido
C
has comido
D
habéis comido

Slide 35 - Quizvraag

Zet het werkwoord tussen haakjes in de Pretérito perfecto:
Esta semana (viajar, yo) a Barcelona.
A
ha viajado
B
he viajido
C
he viajado
D
ha viajido

Slide 36 - Quizvraag

El pretérito perfecto van "comer" - ze heeft gegeten"
A
ella he comido
B
el ha comido
C
ella has comido
D
ella ha comido

Slide 37 - Quizvraag

Juiste vorm van pretérito perfecto van werken: "je hebt gewerkt"
A
hemos trabajada
B
ha trabajado
C
he trabajado
D
has trabajado

Slide 38 - Quizvraag

De pretérito perfecto:
Kies de juiste vorm van hablar, ella
A
he hablado
B
ha hablar
C
ha hablado
D
habla

Slide 39 - Quizvraag

Kies de juiste vervoeging van de Pretérito Perfecto:
Esta tarde Juan ........................ una hamburguesa.
timer
0:30
A
he comido
B
come
C
hemos comido
D
ha comido

Slide 40 - Quizvraag

El pretérito perfecto: Estudiar (ellas)
A
Ha estudio
B
Han estudiado
C
Han estudiar
D
Habéis estudiado

Slide 41 - Quizvraag