Opdrachten vermogen

Vermogen
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
Produceren, Installeren en EnergieMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Vermogen

Slide 1 - Tekstslide

Vermogen
Hoeveel elektrische energie een apparaat per seconde verbruikt, noem je het vermogen. De afkorting voor vermogen is de hoofdletter van het Engelse woord voor vermogen, power. Een eenheid van vermogen is de watt
(W). 

Slide 2 - Tekstslide

Vermogen - typeplaatje
Een boormachine van 300 watt zal niet zo makkelijk een gat boren als een boormachine van 800 watt. 

Apparaten met een hoger vermogen kunnen meer.

Meer vermogen meer gebruik van elektrische energie. 

Hoe groter het vermogen van een apparaat, hoe meer het apparaat kost om het te gebruiken.

Een typeplaatje vind je vaak achterop of onderop een elektrisch apparaat.Op het typeplaatje vind je het vermogen van een apparaat.

Slide 3 - Tekstslide

40 W
1700 W
600 W
900 W
200 W

Slide 4 - Sleepvraag

De eenheid van stroomsterkte is:
A
Volt
B
Watt
C
Ampère
D
Ohm

Slide 5 - Quizvraag

I is het symbool voor?
A
Stroomsterkte
B
Spanning
C
Weerstand
D
Vermogen

Slide 6 - Quizvraag

Van welke factoren hangt het vermogen van een elektrisch apparaat af?
A
Stroomsterkte en tijd
B
Vermogen en spanning
C
Spanning en tijd
D
Spanning en stroomsterkte

Slide 7 - Quizvraag

615000 W = ... kW
A
6150 kW
B
0,615 kW
C
615 kW
D
6,15 kW

Slide 8 - Quizvraag

Vermogen berekenen

Slide 9 - Tekstslide

Met welke formule bereken je het vermogen?
A
P = U - I
B
P = U / I
C
P = U x I
D
P = U + I

Slide 10 - Quizvraag

Wat is de eenheid van vermogen?

A
U
B
A
C
W
D
I

Slide 11 - Quizvraag

Wat is de eenheid van spanning?

A
U
B
P
C
W
D
I

Slide 12 - Quizvraag

Wat is de grootheid (symbool) van vermogen.


A
P
B
W
C
U
D
V

Slide 13 - Quizvraag

Slide 14 - Video

Een gloeilamp is aangesloten op 230 Volt. Door de lamp loopt een stroomsterkte van 0,2 A. Wat is het vermogen van de lamp?
A
200 V
B
46 W
C
8 mW

Slide 15 - Quizvraag

Een gloeilamp wordt aangesloten op een spanning van 24 V, de stroomsterkte door de lamp is 5 A. Wat is het vermogen van de lamp?
A
120 W
B
4,8 W
C
0,2 W

Slide 16 - Quizvraag

Een oplader geeft een spanning van 5 V en een stroomsterkte van 0,7 A. Wat is het vermogen van de adaptor?

Slide 17 - Open vraag

Een elektrische waterkoker werkt op een spanning van 230 V en verbruikt een stroom van 10 A. Hoeveel vermogen gebruikt de waterkoker?

1. gegeven
2. gevraagd
3. formule
4. berekening
5. antwoord met eenheid

Slide 18 - Tekstslide

Een apparaat heeft een stroomsterkte van 5 A en een spanning van 400 V. Bereken het vermogen van het apparaat.

1. U = 400V,   I = 5A
2. P (vermogen)
3. P = U x I
4. P= 400 x 5 = 2000 
5. P = 2000W = 2,0 kW

Slide 19 - Tekstslide

Een lamp heeft een vermogen van 60 W en werkt op een spanning van 120 V. Hoeveel stroom vloeit er door de lamp?

1. gegeven
2. gevraagd
3. formule
4. berekening
5. antwoord met eenheid

Slide 20 - Tekstslide

            6 = 3 X 2
            P = U x I



Slide 21 - Tekstslide

Een lamp heeft een vermogen van 60 W en werkt op een spanning van 120 V. Hoeveel stroom vloeit er door de lamp?

1. P=60W, U=120V
2. I
3. P = U x I  =>  I = P / U
4. I = 60 : 120 = 0,5
5. I = 0,5 A

Slide 22 - Tekstslide

Een lamp heeft een vermogen van 60 W en werkt op een spanning van 120 V. Hoeveel stroom vloeit er door de lamp?

1. gegeven
2. gevraagd
3. formule
4. berekening
5. antwoord met eenheid

Slide 23 - Tekstslide

Een lamp heeft een vermogen van 60 W en werkt op een spanning van 120 V. Hoeveel stroom vloeit er door de lamp?

1. P=60W, U=120V
2. I
3. P = U x I  =>  I = P / U
4. I = 60 : 120 = 0,5
5. I = 0,5 A

Slide 24 - Tekstslide