VWO 1 - Herhaling grammatica

UNIT 5 - SPORTS
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

UNIT 5 - SPORTS

Slide 1 - Tekstslide

Today's class
1. Herhaling alle grammatica
2. Huiswerk controle
3. Grammatica oefenen met werkbladen
4. Extra oefening past simple
5. Zelfstandig leren 

Slide 2 - Tekstslide

TAG QUESTIONS

Slide 3 - Tekstslide

Tag questions
Wat zijn dat? Aangeplakt korte vragen aan het einde van een zin om er een vraag van te maken
In het Nederlands zeg je vaak: 'toch?'

You know the way, DON'T YOU?
You are Dave, AREN'T YOU?
She is your sister, ISN'T SHE?

Slide 4 - Tekstslide

You don't like this, do you?

Slide 5 - Tekstslide

Tag questions
Het werkt als een soort batterij.
als in het eerste deel 'not'/ n't staat, staat dat in deel 2 niet.


You ARE Dave, AREN'T you?

Slide 6 - Tekstslide

1 Uitzondering
I AM your friend, AREN'T I?

AM krijgt AREN'T als tag

Slide 7 - Tekstslide

Tag questions
Bij TWEE werkwoorden in de zin, gebruik je het EERSTE werkwoord:
She CAN PLAY the guitar, CAN'T she?

Als er maar 1 werkwoord in de zin staat en dit is NIET am/is/are/have/has/can/must/will: 
GEBRUIK do/don’t/does/doesn’t in je tag question.




She works at the library, doesn't she?

We walk to school, don't we?

Slide 8 - Tekstslide

Tag questions
Als er maar 1 werkwoord in de zin staat en dit is niet am/is/are/have/has/can/must/will:
gebruik do/don’t/does/doesn’t in je tag question.



She works at the library, doesn't she?
We walk to school, don't we?

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Some / any

Slide 11 - Tekstslide

Some/any: basisregel
'Some': positieve/bevestigende zinnen
I have some funny teachers.


'Any': negatieve/ontkennende zinnen en vraagzinnen
I don't have any fun teachers
Do you have any nice teachers?


Slide 12 - Tekstslide

Word order

Basic word order (in short)






Slide 13 - Tekstslide

Word order
Wie
doet
wat
waar
wanneer
Liz
is learning
computer science
in the library
now.
We
play
a game
at our house
after school

Slide 14 - Tekstslide

Comparisons
In het Nederlands: trappen van vergelijkingen.

Gebruik: Om mensen of dingen te beschrijven/vergelijken

C
B
A
Box A is small.
Box B is smaller than box A.
Box C is the smallest of all.

Slide 15 - Tekstslide

Vergelijkingen
Woorden van 1 lettergreep:
- Vergrotende trap: -er
- Overtreffende trap: -est
old
older
oldest

Slide 16 - Tekstslide

Vergelijkingen
Spelling 1 lettergreep:
Woorden die eindigen op een -e 
Nice - Nicer - Nicest

Woorden die eindigen op een klinker + medeklinker
Fat - Fatter - Fattest 




Slide 17 - Tekstslide

2+ lettergrepen
Woorden van 2 lettergrepen of meer:
- Vergrotende trap: more 
- Overtreffende trap: most
expensive
more expensive
most expensive

Slide 18 - Tekstslide

Uitzondering 2 lettergrepen

Woorden die eindigen op een -y 
Lazy - Lazier - Laziest 
Happy - Happier - Happiest 

Slide 19 - Tekstslide

Onregelmatig 
Good - Better - Best
Bad - Worse - Worst 

Deze leer je uit je hoofd! 

Slide 20 - Tekstslide

prepositions
Gebruik:
  • voorzetsels

Soorten:
  • preposition of time
  • preposition of place
  • preposition of movement
  • preposition of manner

Slide 21 - Tekstslide

prepositions of time
Voorbeelden:
  • before > voor: Don't wake me up before 7 o'clock.
  • after > na: They played foorball after dinner.
  • in > in: My birthday is in March.
  • on > op: We have a test on Monday.
  • at > om: Let's meet at 8 o'clock.

Slide 22 - Tekstslide

prepositions of place
Voorbeelden:
  • above > boven: The clouds above your head are grey.
  • under > onder: The cat hid under the couch.
  • in > in: What's in the box?
  • on > op: The dog sat on the table.
  • at > op: The kids were at school.

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Prepositions of direction
Voorbeelden:
  • over > over: The frog jumped over the pond.
  • out > uit: The cat fell out the window.
  • in > in: The children jumped in the pool.
  • to > naar: We will go to France this summer.

Slide 25 - Tekstslide

prepositions of manner
Voorbeelden:
  • with > met: I like fizzy drinks with ice.
  • from > uit: Spongebob is from Bikini bottom.

Slide 26 - Tekstslide

Classroom rules
Vanaf vandaag: 
- Strengere huiswerk controle (boeken mee + huiswerk gemaakt > ook de woordjes/zinnen leren!)
- Meerdere waarschuwingen hebben gevolgen
- Iets anders op de Ipad aan het doen dan de opdracht is (games/flexuren inplannen/chatten/etc.) > inleveren en ophalen om 16:00 bij de receptie 

Slide 27 - Tekstslide

Homework check
  • Study the irregular verbs (the entire sheet)
  • Study all the phrases on p. 130-131
  • Do exercises 16, 20, 21 & 22 on p. 21-26

Slide 28 - Tekstslide

Vul de vertaling in van:
incredible

Slide 29 - Open vraag

Vul de vertaling in van:
bijwonen / aanwezig zijn bij

Slide 30 - Open vraag

Vul de vertaling in van:
vertegenwoordigen

Slide 31 - Open vraag

Vul de vertaling in van:
indoors

Slide 32 - Open vraag

Irregular verbs check
Voorbeeld:

Vraag: Geef het hele rijtje van krijgen
Antwoord: get, got, got

Slide 33 - Tekstslide

Geef het hele rijtje van:
horen

Slide 34 - Open vraag

Geef het hele rijtje van:
steken

Slide 35 - Open vraag

Geef het hele rijtje van:
vegen

Slide 36 - Open vraag

Geef het hele rijtje van:
eten

Slide 37 - Open vraag

Geef het hele rijtje van:
liggen

Slide 38 - Open vraag

Let's get to work
Start working on the grammar worksheet. 

Finished? Start studying for the upcoming test

Slide 39 - Tekstslide