Engels Lynn hoofdstuk 7 woordenlijst B

Engels groep 6 
Hoofdstuk 7 woordenlijst B
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsBasisschoolGroep 6

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Engels groep 6 
Hoofdstuk 7 woordenlijst B

Slide 1 - Tekstslide

Wat is het Nederlandse woord voor: shop assistant?

Slide 2 - Open vraag

Wat is het Nederlandse woord voor: cash?

Slide 3 - Open vraag

Wat is het Nederlandse woord voor:
to fit?

Slide 4 - Open vraag

Wat is het Nederlandse woord voor:
to pack?

Slide 5 - Open vraag

Wat is het Nederlandse woord voor:
to try on?

Slide 6 - Open vraag

Wat betekent het Engelse woord:
"size"
A
schap/plank
B
maat
C
klein
D
rok

Slide 7 - Quizvraag

Wat betekent het Engelse woord:
"large"
A
groot
B
klein
C
jas
D
schoen

Slide 8 - Quizvraag

Wat betekent het Engelse woord:
"to look for"
A
aantrekken
B
uitkijken voor
C
bekijken
D
zoeken naar

Slide 9 - Quizvraag

Wat betekent het Engelse woord:
"the same"
A
hetzelfde/dezelfde
B
opmaken/maken
C
kassa
D
zeker

Slide 10 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels:
schoen?

Slide 11 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
trui?

Slide 12 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
alles?

Slide 13 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
contant?

Slide 14 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels: aantrekken?

Slide 15 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
winkelbediende?

Slide 16 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
paskamer?

Slide 17 - Open vraag

Sweater
Coat
Skirt
Pay desk
Shoe

Slide 18 - Sleepvraag

Wat betekent het Engelse woord:
"small"
A
groot
B
klein
C
winkel
D
contant

Slide 19 - Quizvraag

Wat betekent het Engelse woord:
"everything"
A
alles
B
overal
C
iets
D
niets

Slide 20 - Quizvraag

Wat betekent het Engelse woord:
"shoe"
A
rok
B
soms
C
zeker
D
schoen

Slide 21 - Quizvraag

Wat betekent het Engelse woord:
"to put on"
A
aanpassen
B
passen
C
aantrekken
D
nemen

Slide 22 - Quizvraag

Wat is het Engelse woord voor:
maat?

Slide 23 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
klein?

Slide 24 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
"geen (nee)"?

Slide 25 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
schap/plank?

Slide 26 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels:
hetzelfde/dezelfde?

Slide 27 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels: betalen?

Slide 28 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels:
inpakken
A
to pay
B
to fit
C
to pack
D
to take

Slide 29 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels:
"zeker"
A
something
B
certainly
C
everything
D
ready

Slide 30 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels:
"aanpassen"
A
to try on
B
to fit
C
to take
D
to put on

Slide 31 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels:
"nemen"
A
to pay
B
to make
C
to pack
D
to take

Slide 32 - Quizvraag

Wat is het Engelse woord voor:
zeker?

Slide 33 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels:
passen?

Slide 34 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
rok?

Slide 35 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
groot?

Slide 36 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
"jas"?

Slide 37 - Open vraag

Wat is het Engelse woord voor:
kassa?

Slide 38 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels:
"betalen"
A
to pack
B
to fit
C
to pay
D
to put on

Slide 39 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels:
"aantrekken"
A
to fit
B
to put on
C
to try on
D
to take

Slide 40 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels:
"opmaken/maken"
A
to make
B
to take
C
to fit
D
to pay

Slide 41 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels:
"paskamer"
A
shop assistant
B
fitting room
C
pay desk
D
skirt

Slide 42 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels:
"schap/plank"
A
cash
B
sure
C
shoe
D
shelf

Slide 43 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels: inpakken?

Slide 44 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels: aanpassen?

Slide 45 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels: opmaken/maken?

Slide 46 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels: zoeken naar?

Slide 47 - Open vraag

Hoe zeg je in het Engels: nemen?

Slide 48 - Open vraag

Slide 49 - Tekstslide