Kapitel 4 grammatica herhaling

Donnerstag den 27. März
Zungenbrecher

Xaver spielt das Xylophon, die Hexe hört es voller Hohn. 

1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Donnerstag den 27. März
Zungenbrecher

Xaver spielt das Xylophon, die Hexe hört es voller Hohn. 

Slide 1 - Tekstslide

Programm

- Wiederholung Grammatik & Übungen

Slide 2 - Tekstslide

Toetsstof 
Kapitel 4
- grammatica:
* sterke ww. e/i-Wechsel
* trappen van vergelijking 
* zinsontleding (1e, 3e, 4e naamval)

Slide 3 - Tekstslide

Grammatica: sterke werkwoorden
met een "e" in de stam
- sterk ww. verandert van klank in de verleden tijd
* helpen - hielpen/ geven - gaven

Slide 4 - Tekstslide

Vul de du-vorm in van het werkwoord: helfen
A
helfe
B
hilfst
C
hilft
D
helfen

Slide 5 - Quizvraag

Vul de er/sie/es- vorm in van het werkwoord: geben
A
gebe
B
gibst
C
gibt
D
geben

Slide 6 - Quizvraag

Vul de er/sie/es- vorm in van het werkwoord: vergessen
A
vergesse
B
vergisst
C
vergist
D
vergiesst

Slide 7 - Quizvraag

Vul de du- vorm in van het werkwoord: vergessen
A
vergesse
B
vergisst
C
vergist
D
vergiesst

Slide 8 - Quizvraag

Grammatica: sterke werkwoorden
met een "a" in de stam
- sterk ww. verandert van klank in de verleden tijd
* rijden - reden/ lopen - liepen

Slide 9 - Tekstslide

Grammatica: trappen van vergelijking
NL: mooi - mooier - mooist
DE: schön - schöner - am schönsten

NL: breed - breder - het breedst
DE: breit - breiter - am breitesten

Als het woord eindigt op -d of -t, maak je de overtreffende trap met -esten 

Slide 10 - Tekstslide

Grammatica: trappen van vergelijking
Onregelmatige vormen

alt - älter - am ältesten
jung - jünger - am jüngsten
lang - länger - am längsten
kurz - kürzer - am kürzesten
stark - stärker - am stärksten
groß - größer - am größten




hoch - höher - am höchsten
gern - lieber - am liebsten
viel - mehr - am meisten
gut - besser - am besten 

Slide 11 - Tekstslide

Vul de vergrotende en de overtreffende trap aan van het woord: schnell.
Bv. langsam - langsamer - am langsamsten

Slide 12 - Open vraag

Vul de vergrotende en de overtreffende trap in van het woord: nett
Bv. breit - breiter - am breitesten

Slide 13 - Open vraag

Vul de vergrotende en de overtreffende trap in van het woord: gut

Slide 14 - Open vraag

Vul de vergrotende en de overtreffende trap in van het woord: lang

Slide 15 - Open vraag

Grammatica: voltooid deelwoord sterke werkwoorden
Voltooid deelwoord altijd met haben of sein
Deze moet je uit je hoofd leren! 

Slide 16 - Tekstslide

maak het voltooid deelwoord van:
Ich ....... mein Buch .......

Slide 17 - Open vraag

maak het voltooid deelwoord van:
nehmen

Slide 18 - Open vraag

maak het voltooid deelwoord van:
laufen

Slide 19 - Open vraag

maak het voltooid deelwoord van:
nehmen

Slide 20 - Open vraag

maak het voltooid deelwoord van:
sehen

Slide 21 - Open vraag

Grammatica: naamvallen
1e naamval = onderwerp
3e naamval = meewerkend voorwerp
4e naamval = lijdend voorwerp

Der Lehrer gibt dem Kind das Heft. 
De man geeft het kind het schrift.

Slide 22 - Tekstslide

Grammatica: naamvallen
Stappenplan ontleden
1 Zoek het onderwerp +1
2 Zoek het lijdend voorwerp +4
3 Zoek het meewerkend voorwerp +3
4 Kijk naar het geslacht van het zelfstandig naamwoord
5 Vul de juiste vorm in van der/ein

Der Mann (m +1) gibt dem Mädchen (o +3) eine Tasche (v +4).


Slide 23 - Tekstslide

Grammatica: schema naamvallen

Slide 24 - Tekstslide

Wat is het onderwerp van de zin:
Ich kaufe ein Brot.
A
Ich
B
kaufe
C
ein Brot

Slide 25 - Quizvraag

Wat is het onderwerp van de zin:
Die Pflegerin gibt dem Patienten sein Frühstück.
A
Die Pflegerin
B
dem Patienten
C
gibt
D
sein Frühstück

Slide 26 - Quizvraag

Wat is het lijdend voorwerp van de zin:
Der Opa hat ein neues Auto gekauft
A
Der Opa
B
ein
C
ein neues Auto
D
hat

Slide 27 - Quizvraag

Dieses Foto von seinem Hund schenkt der Freund seiner Freundin.
A
seiner Freundin
B
Dieses Foto
C
seinem Hund
D
der Freund

Slide 28 - Quizvraag

Freitag den 28. März: Proeftoets!

Slide 29 - Tekstslide

Hausaufgaben 


- Leren woordjes Lektion 1 t/m 6 (Kapitel 4)


Slide 30 - Tekstslide