1E Cursus 7 Spelling: §3 Meervouden

Nederlands

Cursus 7 
§3 - Meervouden 




 
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Nederlands

Cursus 7 
§3 - Meervouden 




 

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
  • 15 min. lezen
  • HW laten zien
  • Lesdoelen
  • Uitleg cursus 7- §3 Spelling: meervouden
  • Aan de slag
  • Lesdoelen gehaald?
  • Filmpje

Slide 2 - Tekstslide


Eerst... 
lekker 15 minuten lezen! 
timer
15:00

Slide 3 - Tekstslide

Spullen klaargelegd?
  • Lesboek
  • Schrift:  open op een nieuwe bladzijde. 
  • Het onderwerp is: Cursus 7 - §3 - Spelling: meervouden
  • Etui/ pen / potlood

                  Tas op de grond 

Slide 4 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
  • 15 min. lezen
  • HW laten zien
  • Lesdoelen
  • Uitleg cursus 7- §3 Spelling: meervouden
  • Aan de slag
  • Lesdoelen gehaald?
  • Filmpje

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van de les:
  • Weet je hoe je de meest gangbare (voorkomende) meervouden spelt
  • Heb je geoefend met het spellen van het meervoud

Slide 7 - Tekstslide

Cursus 7- §3 Spelling: meervouden 
Boek: pag. 248





Let op: proefwerk donderdag 27 maart

Slide 8 - Tekstslide

Welke meervoudsuitgangen ken je nog van de basisschool?

Noteer er 1 en geef een voorbeeld

Slide 9 - Woordweb

Zelfstandige naamwoorden
= Namen van mensen, dieren of dingen
= De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een enkelvoud en een meervoud.
= Je schrijft het meervoud meestal zoals je het uitspreekt.

Slide 10 - Tekstslide

Meervouden
1) meervoud op: -en
2) meervoud op: -s en -'s
3) meervoud op: -eren 
4) meervoud op: -ën 
5) uitzonderingen
6) aparte gevallen
7) twee meervoudsvormen 

Slide 11 - Tekstslide

1)   meervoud op: -en
  • veel zn'en hebben een meervoud op -en:
       fiets- fietsen; kers- kersen; bord- borden; hond- honden
  • Soms moet je de laatste letter van het enkelvoud verdubbelen:                
       zak - zakken; bal - ballen; pen - pennen
  • Soms moet je een a, e, o, of u weglaten:  aap - apen; uur - uren                
  • Woorden die eindigen op - f of - s worden soms in het meervoud -v of -z
       brief - brieven; staaf -staven; grens - grenzen; saus - sauzen; 

 
Maar.....
fotograaf blijft fotografen
wens blijft wensen
kans blijft kansen 
kaars blijft kaarsen

Slide 12 - Tekstslide

2)   meervoud op: -s en -'s
  • voeg een -s toe:                                        
       haven - havens; café - cafés; garage - garages
  • voeg een apostrof + s --> 's toe: bij woorden die eindigen op:
       oma - oma's; radio - radio's; ski - ski's; menu - menu's; baby - baby's 
EN
  • bij afkortingen: havo's; pc's; tv's
Maar: 
douche - douches
spray - sprays
Let op de uitspraak!!!!!
o u i a y

Slide 13 - Tekstslide

3)   meervoud op: -eren 
  •  voeg -eren toe :                                       
        kind - kinderen; blad - bladeren; ei- eieren
                                                           

Slide 14 - Tekstslide

4) meervoud op: -ën 
  • Voeg -ën toe als het enkelvoud eindigt op -ee of op -ie:
MAAR: de klemtoon moet dan wel op de laatste lettergeep liggen.
knie - knieën; melodie - melodieën
idee - ideeën; slee - sleeën             

Maar: 
kolonie - koloniën
bacterie - bacteriën
porie - poriën
olie - oliën
financiën
En:
dictee - dictees
revolutie - revoluties

Slide 15 - Tekstslide

5) Uitzonderingen 




Ligt de klemtoon van het woord NIET op de laatste lettergreep?
Dan verdubbel je de laatste medeklinker niet.

monniken 
haviken
dreumesen

Slide 16 - Tekstslide

6) Aparte gevallen (1 van 2)
woorden op- man kunnen  als meervoud -lieden of -lui hebben:
zeeman - zeemannen - zeelui 
werkman - werkmannen, werklui, werklieden

soms verandert de klinker in het meervoud:
stad - steden
schip - schepen

Slide 17 - Tekstslide

Aparte gevallen (2 van 2)
Latijnse woorden hebben Latijnse meervoudsuitgang:
museum - musea
medicus - medici

Sommige woorden hebben alleen enkelvoud of alleen meervoud:
rommel -rommel     rijst - rijst            inkomsten - inkomsten
vee - vee                     zand - zand       omstreken - omstreken


Slide 18 - Tekstslide

7) woorden met twee meervoudsvormen
seconde:      secondes  / seconden
keuze:            keuzes / keuzen
datum:           data/ datums
appel:             appels/ appelen
aardappel:   aardappels/ aardappelen
groente:        groentes/ groenten
methode:      methodes/ methoden 

Slide 19 - Tekstslide

Aan de slag
bladzijde 249: 
  ** opdracht: 1 - 2 - 3
*** opdracht: 4 - 5 - 6
Kijk steeds goed naar de theorie op bladzijde 248 
èn let heel goed op de uitspraak van de meervouden 

klaar: vraag een nakijkblad en ga daarna lezen

Slide 20 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van de les:
  • Weet je hoe je de meest gangbare (voorkomende) meervouden spelt
  • Heb je geoefend met het spellen van het meervoud

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video