Periode 4 | Les 1, hoofdletters, meervoud, aaneenschrijven

Nederlands
Periode 4 | Les 1

uitleg periode 4
hoofdletters - aaneenschrijven - meervouden


1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Nederlands
Periode 4 | Les 1

uitleg periode 4
hoofdletters - aaneenschrijven - meervouden


Slide 1 - Tekstslide

In deze les
  • Lesdoelen
  • Periode 4 + studiepunten
  • 15 minuten lezen (geen boek = 1e uur absent)
  • Uitleg en oefening in LessonUp: hoofdletters, aaneenschrijven, meervoudsvormen
  • Oefening in spelvorm

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het eind van deze les...
  • ... heb je gewerkt aan je concentratie, woordenschat en taalvaardigheden. 
  • ... weet je hoe periode 4 eruit ziet voor het vak Nederlands. 
  • ... weet je wat je moet doen voor de studiepunten. 
  • ... weet je beter wanneer je hoofdletters moet gebruiken. 
  • ... weet je beter waar je op moet letten als je een meervoud schrijft. 
  • ... weet je beter hoe en welke woorden je aan elkaar moet schrijven. 

Slide 3 - Tekstslide

Periode 4
  • Les 1: hoofdletters, aaneenschrijven, meervoudsvormen
  • Les 2: interview 
  • Les 3: interview afronden
  • Les 4: folder maken
  • Les 5: folder maken afronden
  • Les 6: afronden opdrachten Motile (laatste kans check interview en folder)
Uitdelen studiepunten
  • Les 7: valt uit, door zomerkamp

Slide 4 - Tekstslide

Studiepunten
  • Beroepshouding (aanwezig, telefoongebruik, spullen voor elkaar, opletten, meedoen enz.)
  • Interview afgenomen en verwerkt: voldoende beoordeeld 
  • Folder gemaakt en voldoende beoordeeld
  • Opdrachten in Motile af (hoofdletters, meervoudsvormen, aaneenschrijven)

Slide 5 - Tekstslide

Lezen
15 minuten lezen in je eigen boek, 
tijdschrift of strip. 
timer
15:00

Slide 6 - Tekstslide

In deze les
  • Lesdoelen
  • Periode 4 + studiepunten
  • 15 minuten lezen
  • Uitleg en oefening in LessonUp: hoofdletters, aaneenschrijven, meervoudsvormen
  • Oefening in spelvorm

Slide 7 - Tekstslide

Hoofdletters - WEL
  • Tineke van der Meer, mevrouw Van der Meer, meneer K. de Weerd
  • Zwolle - Zwollenaar
  • Nederland - Nederlander
  • de IJssel - het IJsselmeer
  • de Tweede Wereldoorlog
  • Kerst, Pasen
  • ROC Friese Poort (maar niet bij roc of mbo los)
  • KRO, NAVO, ADHD

Slide 8 - Tekstslide

Hoofdletters - niet
  • professor, rabbijn, dominee, burgemeester, meneer, docent
  • winter, lente - maandag, dinsdag - januari, februari
  • de middeleeuwen, de renaissance
  • islam - islamitisch, christen - christelijk
  • kerstcadeautje, paasei
  • mbo, hbo
  • indianen, latino’s
  • soa, tbc, hiv

Slide 9 - Tekstslide

Wat is goed geschreven?
A
KRO
B
kro
C
Kro
D
krO

Slide 10 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?
A
de renaissance
B
de Renaissance

Slide 11 - Quizvraag

goed
fout
Burgemeester
Januari
christen
mbo
paasontbijt

Slide 12 - Sleepvraag

Wat is goed geschreven?
A
kerstkransje
B
Kerstkransje
C
kerst Kransje

Slide 13 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?
A
mbo
B
MBO
C
Mbo
D
mbO

Slide 14 - Quizvraag

goed
fout
Zwolle
middeleeuwen
de rijn
ADHD
Islam

Slide 15 - Sleepvraag

Meervoudsvormen
De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een meervoud:
  • één tafel, twee tafels
  • één gebeurtenis, twee gebeurtenissen

Soms niet:
rijst, jeugd, benzine

Slide 16 - Tekstslide

Meervoud op -en
deur – deuren


Pas de spelling aan waar het nodig is:
schuur – schuren, tas – tassen

Slide 17 - Tekstslide

Meervoud op -ën
Voeg -ën toe als je in de knoei komt met uitspraak:
zeeën, allergieën, kopieën

Maar:
Alleen een trema bij woorden waarin de klemtoon niet op de -ie ligt:
bacterie – bacteriën, porie – poriën

Slide 18 - Tekstslide

Meervoud op -s
  • -s vast aan het woord schrijven, ook na e, é, eau en ui:
etalages, logés, bureaus, etuis
De -s kan eraan vast, geen verwarring met uitspraak!
  • wel verwarring met uitspraak, gebruik ’s:
taxi’s, baby’s, accu’s
  • na afkortingen 's:
cd’s, tv’s, bv’s

Slide 19 - Tekstslide

Bijzonder
  • ei - eieren, kalf - kalveren
  • schip – schepen
  • technicus – technici


Twijfel? woordenlijst.org 

Slide 20 - Tekstslide

Wat is goed geschreven?

één bureau, twee ...
A
bureau's
B
bureaus
C
bureauen
D
bureau-en

Slide 21 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?

één taxi, twee ...
A
taxiën
B
taxies
C
taxi's
D
taxieeën

Slide 22 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?

één zee, twee ...
A
zeëen
B
zeeen
C
zeeën

Slide 23 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?

één etalage, twee ...
A
etalages
B
etalage's
C
etalagen
D
etalageën

Slide 24 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?

één bacterie, twee ...
A
bacterieën
B
bacteriën
C
bacteries
D
bacteriees

Slide 25 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?

één kopie, twee ...
A
kopieën
B
kopiën
C
kopies
D
kopieës

Slide 26 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?

één allergie, twee ...
A
allergieën
B
allergiën
C
allergies
D
rode ogen en een loopneus

Slide 27 - Quizvraag

Aaneenschrijven
  • samenstellingen:
oplaadkabel, badkamerdeur, driesterrenrestaurant
  • woorden met er-, hier-, daar- en waar- + een voorzetsel:
ermee, hiervan, daarop, waarmee
  • werkwoorden die beginnen met voorzetsels:
tegenkomen, aantrekken, oplossen
tegengekomen, aangetrokken, opgelost

Slide 28 - Tekstslide

Koppelteken
  • Na de voorvoegsels niet-, non-, oud-, ex-:
niet-drinkers, non-alcoholisch, oud-Ajacied, ex-echtgenoot
  • Uitspraak anders onduidelijk:
auto-ongeluk, lente-ui, gala-avond, zee-egel
  • Deel van de samenstelling bestaat uit naam, letters, cijfers of tekens:
het kabinet-Rutte, de mbo-student, 32-urige werkweek, A4-papier,
het #-teken

Slide 29 - Tekstslide

Koppelteken
  • In samengestelde aardrijkskundige namen en afleidingen daarvan:
Midden-Oosten, Latijns-Amerika, West-Europese
  • In vaste combinaties:
kant-en-klaarmaaltijd, doe-het-zelfzaak

Slide 30 - Tekstslide

Tussenklank
  • Soms komt er een extra -s- tussen de woorden:
liefdesbrief, levensverzekering, zwangerschapsverlof, varkensvlees 

Bijzonder:
groentesoep, want groentes en groenten 

Slide 31 - Tekstslide

Wat is goed geschreven?
A
ermee
B
er mee

Slide 32 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?
A
niet roker
B
niet-roker

Slide 33 - Quizvraag

Wat is goed geschreven?
A
oud voorzitter
B
tweedehands-auto
C
non-fictie
D
Noord Brabant

Slide 34 - Quizvraag

Wat is NIET goed geschreven?
A
groentensoep
B
groentesoep

Slide 35 - Quizvraag

goed
fout
badkamerdeur
lenteui
er mee
tegenkomen
kabinet-Rutte

Slide 36 - Sleepvraag

goed
fout
A4formaat
rijontzegging
niet roker
dennenboom
aan getrokken

Slide 37 - Sleepvraag

Actieve werkvorm
  • Groepjes van 2 a 3 personen
  • Ieder een eigen spelbord ->
  • Per persoon 6 gekleurde driehoeken
  • 3 stapels vragenkaarten
  • 1 dobbelsteen 

De eerste die zijn hele spelbord gevuld heeft: gewonnen!

Slide 38 - Tekstslide

Dobbelsteen + vragenkaart
  1. Groen
  2. Blauw
  3. Geel
  4. Groen
  5. Blauw
  6. Geel
Goed? Leg driehoek of laat liggen. Fout? Haal driehoek weg.  

Slide 39 - Tekstslide