als iets op dit moment gebeurt/aan het gebeuren is
signaalwoorden: at the moment, right now, now, look!
am/are/is + werkwoord + ing
vragen: am/are/is + onderwerp + werkwoord + ing
negatieve zinnen: am/are/is + not + werkwoord + ing
She is talking to him
Are they looking this way?
I am not walking over there!