Je gebruikt een komma:
- Tussen twee persoonsvormen.
Toen we naar Den Haag gingen, reisden we met de trein.
- Voor voegwoorden als maar, nadat, omdat, terwijl, want
Hij ging naar huis, omdat hij zich niet lekker voelde.
- Tussen delen van een opsomming maar NIET voor en.
We aten patat, hamburgers en een heerlijk ijsje.