Leestekens

Leestekens kunnen je leven redden!


Leestekens kunnen je leven redden!
1 / 11
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Leestekens kunnen je leven redden!


Leestekens kunnen je leven redden!

Slide 1 - Tekstslide

Leestekens
Wat gaat hier mis? 


Slide 2 - Tekstslide

Leestekens
Wat gaat hier mis?? 

Slide 3 - Tekstslide

De komma 
Je gebruikt een komma: 
- Tussen twee persoonsvormen. 
   Toen we naar Den Haag gingen, reisden we met de trein. 
- Voor voegwoorden als maar, nadat, omdat, terwijl, want 
   Hij ging naar huis, omdat hij zich niet lekker voelde. 
- Tussen delen van een opsomming maar NIET voor en.
   We aten patat, hamburgers en een heerlijk ijsje. 

Slide 4 - Tekstslide

Dubbele punt 
Je gebruikt een dubbele punt: 
- Voor een aangekondigde opsomming. 
   Tijdens mijn vakantie bezocht ik drie steden: Den Haag, Delft en Rotterdam.
- Voor de directe reden of een citaat.  
   Mijn zoontje zei: 'Legoland is het leukste land dat er bestaat.'
- Als het tweede deel van een zin een verklaring vormt bij het eerste deel.
   Ik had 's avonds pijn aan mijn voeten: we liepen 15.000 stappen.

Slide 5 - Tekstslide

Aanhalingstekens
Je gebruikt aanhalingstekens: 
- Bij directe reden of een citaat. 
   'Mag ik mijn schep meenemen naar het strand?' vroeg mijn zoontje blij. 
- Als je het woord zelf bedoelt en niet de betekenis.
   Weet jij hoe je 'przewalskipaard' moet spellen?
- LET OP: Bij indirecte reden en gedachten gebruik je GEEN aanhalingstekens.
   Ik dacht bij mezelf: ik moet  mijn wiskundeopdrachten  nog maken. 

Slide 6 - Tekstslide

:
Bij directe reden of een citaat.
Tussen twee persoonsvormen.

Tussen delen van een opsomming.
Als het tweede deel van de zin een verklaring is.

Slide 7 - Sleepvraag

Verbeter de zin:

Als je naar zee gaat zie je meeuwen vliegen

Slide 8 - Open vraag

Verbeter de zin:

Hoe was je vakantie vroeg hij aan haar

Slide 9 - Open vraag

Welke zin is juist?
A
'Hé, wil je even komen Joep?'
B
'Hé, wil je even komen Joep'?
C
'Hé, wil je even komen, Joep?'
D
'Hé, wil je even komen, Joep'?

Slide 10 - Quizvraag

Welke zin is juist?
Tekst
A
Hij dacht: ik hoop dat de toets niet moeilijk is.
B
Hij dacht: 'Ik hoop dat de toets niet moeilijk is.'

Slide 11 - Quizvraag