Noteer de vetgedrukte begrippen die horen bij paragraaf 3.4?
Slide 2 - Open vraag
KEUZEOPDRACHT
1. Vragen over de verschillen tussen de renaissance en barok > dia 4
2. Vragen over voorstelling en vormgeving > dia 10
Slide 3 - Tekstslide
KEUZEOPDRACHT 1
Hier volgen 4 vragen over de verschillen tussen een schilderij uit de renaissance en barok.
Antwoord als volgt:
Renaissance = Barok =
Slide 4 - Tekstslide
1. Wat is het verschil in de voorstelling van deze schilderijen uit de renaissance en barok?
klik op de afbeelding voor een vergroting
Slide 5 - Open vraag
2. Wat is een verschil in het gebruik van licht in de renaissance en barok?
klik op de afbeelding voor een vergroting
Slide 6 - Open vraag
3. Wat is een verschil in het suggereren van ruimte in de renaissance en barok?
klik op de afbeelding voor een vergroting
Slide 7 - Open vraag
4. Wat is het verschil in compositie in de renaissance en barok?
klik op de afbeelding voor een vergroting
Slide 8 - Open vraag
KEUZEOPDRACHT 2
Hier volgen 4 vragen over de voorstelling en vormgeving van renaissancekunst.
Slide 9 - Tekstslide
Op afbeelding 6 zie je een vroeg zelfportret van Dürer (1498). Hij beeldt zichzelf af als man van aanzien.
3p 1 Noem drie aspecten van de voorstelling waaruit je dit kunt afleiden. Laat de signatuur buiten beschouwing.
Klik op de afbeelding voor een vergroting.
Slide 10 - Open vraag
Het paar liet zich vereeuwigen als voorname, zelfbewuste burgers. Bekijk de figuur hiernaast.
2p 2 Beschrijf twee aspecten van de voorstelling waaruit het voorname en/of zelfbewuste blijkt.
Klik op de afbeelding voor een vergroting.
Slide 11 - Open vraag
Het schilderij werd beschreven als een ‘rivier van gemartelde lichamen’ die naar beneden stroomt.
3p 3 Noem drie manieren waarop de vormgeving bijdraagt aan het beeld van een kolkende rivier.
Klik op de afbeelding voor een vergroting.
Slide 12 - Open vraag
Op de figuur hierboven zie je de ontwerpschets voor een fontein. Bernini heeft deze zo ontworpen, dat de waterstroom een belangrijk onderdeel vormt van het totale beeld.
2p 4 Geef aan hoe dat blijkt uit de voorstelling en uit de vormgeving.