5: Woordenboek

Opstart:
Woordenboek
Ik weet hoe ik een woordenboek moet gebruiken
Ik weet wat ik in een woordenboek allemaal kan vinden
Hoe gebruik ik een woordenboek?
Opdracht woordenboek
Hebben we het lesdoel behaald?
Cursus 4 paragraaf 5 woordenboek
Hoe hebben we gewerkt?
Afmaken opdrachten
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Opstart:
Woordenboek
Ik weet hoe ik een woordenboek moet gebruiken
Ik weet wat ik in een woordenboek allemaal kan vinden
Hoe gebruik ik een woordenboek?
Opdracht woordenboek
Hebben we het lesdoel behaald?
Cursus 4 paragraaf 5 woordenboek
Hoe hebben we gewerkt?
Afmaken opdrachten

Slide 1 - Tekstslide

Vorige les

Morfemen: hoe woorden zijn opgebouwd


Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
Ik weet hoe ik een woordenboek moet gebruiken
Ik weet wat ik in een woordenboek allemaal kan vinden

Slide 3 - Tekstslide

Woordenboek
  • Tijdens het examen mag je een papieren woordenboek gebruiken. 
  • De woorden in het woordenboek noem je grondwoorden
  • De woorden staan op alfabetische volgorde.

Slide 4 - Tekstslide

In het woordenboek vind je alles over spelling
1. onderstreping bij acteren= klemtoon
2. ~ =synoniem
3. bn= woordsoort>bijvoeglijk naamwoord

Slide 5 - Tekstslide

Woordenboek gebruiken voor...
1. Moeilijke Nederlandse woorden: verrukkelijke, peper-en-zoutstel.

Slide 6 - Tekstslide

Woordenboek gebruiken voor...
2. Woorden uit andere talen: bavarois, accuraat, downloaden.

Slide 7 - Tekstslide

Woordenboek gebruiken voor...
3. Woorden met een hoofdletter (of juist niet): Pasen, kerst, april.

Slide 8 - Tekstslide

Woordenboek gebruiken voor...
4. Werkwoordsvormen: slibben, slibde, geslibd.

Slide 9 - Tekstslide

Woordenboek gebruiken voor...
5. Meervoudsvormen van zelfstandige naamwoorden: porie-poriën, ruzie-ruzies.

Slide 10 - Tekstslide

Woordenboek gebruiken voor...
6.Trappen van vergelijking: chic-chiquer-chicst.

Slide 11 - Tekstslide

Woordenboek gebruiken voor...
7. Verkleinwoorden: baby-baby'tje

Slide 12 - Tekstslide

Woordenboek gebruiken voor...
8. Bijvoeglijke naamwoorden: precieze, officiële, zilveren.

Slide 13 - Tekstslide

grondwoorden

Bij werkwoorden zoek je naar het hele werkwoord.
gelopen --> lopen
zwommen --> zwemmen
gezongen --> zingen
toverde --> toveren

Slide 14 - Tekstslide

grondwoorden

Bij zelfstandige naamwoorden: je zoekt het enkelvoud en géén verkleinwoord.
jasje --> jas
piano's --> piano
kastjes --> kast
tafeltje --> tafel

Slide 15 - Tekstslide

grondwoorden


Soms zoek je de kortste vorm.
goedkope --> goedkoop
zieke --> ziek
moeilijke --> moeilijk 

Slide 16 - Tekstslide

Bij zelfstandige naamwoorden: je zoekt het enkelvoud en géén verkleinwoord.
Werken met het woordenboek 

In het woordenboek staat achter het grondwoord: 
  • hoe je het woord uitspreekt; 
  • welk lidwoord je moet gebruiken (het woordgeslacht); 
  • hoe je het meervoud moet maken.

Slide 17 - Tekstslide

Vragen?

Slide 18 - Tekstslide

Bij welk grondwoord zoek je iets op in het woordenboek?

bevond
A
bevind
B
bevindt
C
bevinden
D
bevonden

Slide 19 - Quizvraag

Waar zoek je werkwoorden op in het woordenboek?
A
stam
B
hele ww
C
voltooid deelwoord

Slide 20 - Quizvraag

Je wilt het woord spectaculair opzoeken. Op welke pagina vind je dat?
A
op de pagina met soep en stoel
B
op de pagina met spelen en suiker

Slide 21 - Quizvraag

Bij welk grondwoord zoek je iets op in het woordenboek?
"reuzeleuk"
A
reus
B
leuk
C
reuze
D
leuke

Slide 22 - Quizvraag

Aan de slag!
Cursus 4 paragraaf 5

KGT: blz. 96-97 opdr. 1 t/m 3

timer
15:00

Slide 23 - Tekstslide

Hebben we alle doelen behaald?


Wat is nog moeilijk?
Wat gaat al goed?

Slide 24 - Tekstslide

Huiswerk

Afmaken opdrachten (als je dit nog niet hebt gedaan in de les)

Cursus 4 paragraaf 5 opdr. 1, 2, 3


Slide 25 - Tekstslide