adverb vs adjective

Adverb vs adjective
TODAYS TOPIC
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Adverb vs adjective
TODAYS TOPIC

Slide 1 - Tekstslide

Lesson goals
At the end of the lesson you:
- Know what adjectives and adverbs are
- Know the difference between adjectives and adverbs
- Can use adjectives in a sentence
- Can use adverbs in a sentence

Slide 2 - Tekstslide

Adjectives = bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord gebruik je om iets of iemand
te omschrijven. Een bijvoeglijk naamwoord wordt vaak gevolgd door een zelfstandig naamwoord.
That is an amazing girl.
We all love that funny movie.
I think he is a terrible teacher.

Slide 3 - Tekstslide

Adverb = bijwoord
Een bijwoord gebruik je om aan te geven HOE iemand iets doet. Een bijwoord omschrijft vaak een werkwoord, maar ook een ander bijwoord, een bijvoeglijk naamwoord of de hele zin.
Mary sings wonderfully.
                                                     My grandparents talk incredibly loudly.
                            I am eating an amazingly delicious steak right now.
                                                         Hopefully, she will call me back later.

Slide 4 - Tekstslide

Hoe maak 
je een bijwoord?
Bijvoeglijk naamwoord 
+ LY
IC -> ALLY
(fantastic - fantastically)
Y -> ILY
(funny - funnily)

Slide 5 - Tekstslide

DUS...
Ron is a careful driver.

Ron drives carefully.
Ron is a careful driver.

Ron drives carefully.
DUS...

Slide 6 - Tekstslide

Adverb of adjective?
We..........went home
A
quick
B
quickly

Slide 7 - Quizvraag

Adjective / adverb
She is a very warm / warmly person.
A
warm
B
warmly

Slide 8 - Quizvraag

Adjective / adverb
She answered clever / cleverly.
A
clever
B
cleverly

Slide 9 - Quizvraag

Adjective / adverb
The music was beautiful / beautifully.
A
beautiful
B
beautifully

Slide 10 - Quizvraag

Adjective or adverb?

She perfomed _____ .
A
beautiful
B
beautifully

Slide 11 - Quizvraag

Adjective or adverb?
The happy dog.

A
Adjective (bijvoegelijknaamwoord)
B
Adverb (bijwoord)

Slide 12 - Quizvraag

Adverb or adjective?
The nervous man.
A
adverb
B
adjective

Slide 13 - Quizvraag

Adjective / adverb
I ran quickly to the station.
A
adjective
B
adverb

Slide 14 - Quizvraag

Adjective or adverb?
I was ______ shocked.
A
completely
B
complete

Slide 15 - Quizvraag

Adjective / adverb
He put the dishes away tidy / tidily.
A
tidy
B
tidily

Slide 16 - Quizvraag

Adjective or adverb?

He is an ...... person
A
awful
B
awfully

Slide 17 - Quizvraag