H31 4 maart objectief en subjectief signaalwoorden argumenten

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Lezen
timer
15:00

Slide 2 - Tekstslide

1. Beschrijf dit schilderij objectief
2. Beschrijf dit schilderij subjectief

Slide 3 - Tekstslide

Aan de slag
Bekijk de antwoorden van voortgangstoets 4.3 E

Welke vragen/onderwerpen begrijp je nog niet? Schrijf ze op in je schrift. 

Klaar? Kies een tekst: 

Slide 4 - Tekstslide

Planning
- Leestoets, inclusief woordenlijst (weging 15%): woensdag 26 maart

- Stijl en formuleren (weging 10%): woensdag 9 april


Slide 5 - Tekstslide

Nieuw lesdoel
Paragraaf 6.6 en 6.7 handboek

Ik kan signaalwoorden en tekstverbanden herkennen
Ik kan het verschil tussen een feit en een mening herkennen
Ik kan het verschil tussen objectieve en subjectieve informatie herkennen.


Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

argumentatie
Enkelvoudige argumentatie:
schrijver gebruikt 1 argument

De zomervakantie moet korter worden, want leerlingen vergeten anders alles wat ze geleerd hebben.



Slide 8 - Tekstslide

Nevenschikkende argumentatie

Slide 9 - Tekstslide

Onderschikkende argumentatie

Slide 10 - Tekstslide


Wat voor soort argumentatie is dit?
A
enkelvoudige argumentatie
B
onderschikkende argumentatie
C
nevenschikkende argumentatie
D
nevenschikkende en onderschikkende argumentatie

Slide 11 - Quizvraag


Wat voor soort argumentatie is dit?
A
nevenschikkende argumentatie
B
enkelvoudige argumentatie
C
onderschikkende argumentatie

Slide 12 - Quizvraag


Wat voor soort argumentatie is dit?
A
nevenschikkende argumentatie
B
enkelvoudige argumentatie
C
onderschikkende argumentatie
D
meervoudige argumentatie

Slide 13 - Quizvraag

Wat voor soort argumentatie is dit?
A
enkelvoudige argumentatie
B
nevenschikkende argumentatie
C
onderschikkende argumentatie
D
neven- en onderschikkende argumentatie

Slide 14 - Quizvraag

Wat voor soort argumentatie is dit?
A
enkelvoudige argumentatie
B
nevenschikkende argumentatie
C
neven- en onderschikkende argumentatie
D
onderschikkende argumentatie

Slide 15 - Quizvraag

Standpunt met meervoudige argumentatie:

Het openbaar vervoer moet goedkoper worden. 
Mensen met weinig geld kunnen zich dan makkelijker verplaatsen.
Reizen met bus of trein is beter voor het milieu.
Het levert minder files op.

Slide 16 - Tekstslide

Aan de slag
Tekst lezen over het Ijslands preventiemodel

Daarna: voortgangstoets 4.3 E

 


Slide 17 - Tekstslide

1. Beschrijf dit schilderij objectief
2. Beschrijf dit schilderij subjectief

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

TEKSTVERBANDEN

Zorgen ervoor dat

woorden, zinnen en alinea's

met elkaar samenhangen.

Slide 20 - Tekstslide

SIGNAALWOORDEN

Aan een

signaalwoord

zie je met

welk tekstverband

je te maken hebt.

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

OPSOMMEND VERBAND

Slide 23 - Tekstslide

Ik heb goed geleerd voor de toets. Eerst heb ik woordjes geleerd en de zinnen heb ik geoefend. Ook heeft moeder me overhoord.

De zinnen zijn met elkaar verbonden. 
Aan de woordjes EERST, EN en OOK kun je zien wat de zinnen met elkaar te maken hebben. 
Er wordt namelijk iets opgesomd.
Dit noem je een OPSOMMEND verband

Slide 24 - Tekstslide

TEGENSTELLEND VERBAND

Slide 25 - Tekstslide

Ik heb goed geleerd voor de toets, maar ik heb een onvoldoende gehaald.

De zinnen zijn met elkaar verbonden.
Aan het woordje MAAR kun je zien wat de zinnen met elkaar te maken hebben. 
Er zit namelijk een tegenstelling in.
Dit noem je een TEGENSTELLEND verband

Slide 26 - Tekstslide

TOELICHTEND VERBAND

Slide 27 - Tekstslide

Het hotel is ook geschikt voor jonge kinderen. Denk aan een kinderopvang en een grote speeltuin.

Tussen de zinnen is een verband. 
Aan de woorden DENK AAN kun je zien wat de zinnen met elkaar te maken hebben. 
Er wordt namelijk iets toegelicht.
Dit noem je een TOELICHTEND verband

Slide 28 - Tekstslide

Concluderend verband
Er wordt een conclusie getrokken uit eerdere informatie in de tekst.

Dus, daarom, dat houdt in, kortom, concluderend, al met al

Slide 29 - Tekstslide

Redengevend verband
Geeft aan waarom iemand iets doet of vindt.

Omdat, daarom, want, de reden hiervoor is, dankzij

Slide 30 - Tekstslide

Oorzakelijk verband
toont aan waardoor iets gebeurt (buiten iemands wil om).


Doordat, daardoor, als gevolg van, dat komt door, het gevolg is, dus, dankzij.

Slide 31 - Tekstslide

Aan de slag
Tekst lezen over het Ijslands preventiemodel

Daarna: voortgangstoets 4.3 E

 


Slide 32 - Tekstslide