H33 Vr 21-3-2025

H33 Vr 21-3-2025
  • Welkom!
  • Ga even zitten volgens de plattegrond
  • Kauwgom in de prullenbak!
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

H33 Vr 21-3-2025
  • Welkom!
  • Ga even zitten volgens de plattegrond
  • Kauwgom in de prullenbak!

Slide 1 - Tekstslide

Het huiswerk was:
  • Maken opdr 3 blz 20 en 21. 
  • Toetsstof = 
Meer dan Lezen paragraaf 1 tm 3. Let op paragraaf 1 is online! Leren blz 10 tm 24 groene theorie en oefenen met de gemaakte opdrachten.
  • Leerblad tekstverbanden en signaalwoorden --> mail
  • Nakijken huiswerk + online trainen/ oefentoetsen maken

Slide 2 - Tekstslide


Wat is de hoofdgedachte van de tekst?
Wat betekent het woord hoofdgedachte?
A
de belangrijkste zin van een alinea
B
het onderwerp van de tekst
C
een uitspraak waar je het wel of niet mee eens bent
D
het belangrijkste wat over het onderwerp wordt gezegd in één zin

Slide 3 - Quizvraag

Bij het bepalen van de hoofdgedachte van een alinea of een groepje alinea's let je vooral op de kernzinnen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 4 - Quizvraag

De kernzinnen vind je op de voorkeursplaatsen. Waar vind je de kernzin?
A
de eerste zin van een alinea
B
de laatste zin van een alinea
C
de tweede zin van een alinea
D
A, B en C zijn alle drie juist

Slide 5 - Quizvraag

Signaalwoorden
en tekstverbanden

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Toelichting
Voorwaarde
Opsomming
Samenvatting
Signaalwoorden van oorzaak&gevolg
Signaalwoorden van tegenstelling
Vergelijking
Doel-middel
om te
net als
echter
doordat
kortom
ten tweede
mits
bijvoorbeeld
als
zo
al met al
soortgelijke
hierdoor
waardoor
maar
daarentegen
ook

Slide 8 - Sleepvraag

Er zijn nog veel meer signaalwoorden, zie theorienummer [33]:

Slide 9 - Tekstslide

Tekststructuren

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

FEITELIJK
WAARDEREND
normen en waarden
vermoedens
feiten
onderzoek
ervaring (empirisch)
geloof
gevoel of emotie

Slide 12 - Sleepvraag

FEITELIJK
WAARDEREND
normen en waarden
vermoedens
feiten
onderzoek
ervaring (empirisch)
geloof
gevoel of emotie

Slide 13 - Sleepvraag

Standpunt: 
Maastricht is een prima stad om een 
excursie voor CKV te organiseren. 
Waarderend argument
Feitelijk argument
In Maastricht kan je verschillende musea en galeries bezoeken.
Maastricht heeft een gezellige binnenstad.

Slide 14 - Sleepvraag

Standpunt: 
Je kunt beter met het openbaar vervoer naar Rotterdam gaan.
Waarderend argument
Feitelijk 
argument

Reizen met het OV is veel rustiger.
Het OV is goedkoper dan de auto.

Slide 15 - Sleepvraag

Hij is immers veruit de beste in de debatten.
Ik denk dat Mark Rutte de verkiezingen weer gaat winnen.
standpunt
feitelijk argument
waarderend argument

Slide 16 - Sleepvraag

dus lijkt het mij verstandig om scooters te verbieden.
Je loopt met een scooter een grotere kans op een ernstig ongeluk dan op een fiets
standpunt
feitelijk argument
waarderend argument

Slide 17 - Sleepvraag

Hoe heet deze argumentatiestructuur?
A
Enkelvoudige argumentatie
B
Onderschikkende argumentatie
C
nevenschikkende argumentatie met onafhankelijk argument
D
Nevenschikkende argumentatie met afhankelijk argument.

Slide 18 - Quizvraag

Wat is argumenteren?

Slide 19 - Open vraag

Wat is dan je standpunt?

Dat waarvan je de ander(en) wil overtuigen!!

Standpunt: mening over iets
                         positief, negatief of twijfelachtig

Signaalwoorden: ik vind dat, volgens mij, ik denk dat, dus,                                                  daarom, kortom, mijn conclusie is

Slide 20 - Tekstslide

Argument
  • Argument: ondersteunen/verdedigen van een standpunt
  • Signaalwoorden: want, omdat, namelijk, aangezien, immers
  • Feitelijke argumenten: waar of onwaar, controleerbaar (het is zo, òf niet).       Ik ga boodschappen doen bij de Jumbo, want die zit bij mij om de hoek. 
  • Waarderende argumenten: argument geeft aan dat iets (on)wenselijk, (on)gepast, mooi of lelijk, goed of slecht is.                                                                  Ik ga boodschappen doen bij de Jumbo, want ik vind het een fijne winkel. 

Slide 21 - Tekstslide

Argumentatiestructuur
De argumentatiestructuur is een weergave van de wijze waarop in een tekst of tekstdeel argumenten met elkaar en met het standpunt samenhangen.

We onderscheiden drie basisvormen van argumentatie:

Enkelvoudige argumentatie
Onderschikkende argumentatie
Nevenschikkende argumentatie

Slide 22 - Tekstslide

Enkelvoudige argumentatie
Een standpunt met één argument. 



Slide 23 - Tekstslide

Onderschikkende argumentatie
Een argumentatie waarin twee of meer argumenten gezamenlijk het standpunt ondersteunen.

De argumenten in nevenschikkende argumentatie kunnen:
- afhankelijk zijn
- onafhankelijk (ze vormen ieder op zich een zelfstandig argument voor het standpunt).

Slide 24 - Tekstslide

Nevenschikkende argumentatie
Een argumentatie waarin twee of meer argumenten gezamenlijk het standpunt ondersteunen.
De argumenten in nevenschikkende argumentatie kunnen:
- onafhankelijk (ze vormen ieder op zich een zelfstandig argument voor het standpunt) of



- afhankelijk zijn (ze zijn samen nodig om het standpunt te ondersteunen).



Slide 25 - Tekstslide

Tekstopbouw
Iedere tekst die je leest heeft een opbouw:
inleiding-kern --> nieuwe informatie in de laatste alinea
of 
inleiding-kern-slot --> geen nieuwe informatie in de laatste alinea (denk aan een samenvatting, conclusie of beantwoorden vraag inleiding op basis van informatie uit het middenstuk).

Slide 26 - Tekstslide

Inleiding
Twee functies:
  • De lezer nieuwsgierig maken
  • Het onderwerp introduceren
 

Slide 27 - Tekstslide

Inleiding alinea 1
De aandacht van de lezer trekken door nieuwsgierig te maken:

  • Iets uit de actualiteit 

  • Iets uit de geschiedenis 

  • Een voorbeeld, zoals een kort verhaaltje (anekdote) of een eigen ervaring 

  • Iets wat voor de lezer van persoonlijk belang is 

  • Tot de verbeelding sprekende cijfers rondom het probleem 

Slide 28 - Tekstslide

Inleiding alinea 2
Het onderwerp introduceren.
  • Een hoofdvraag (en eventueel deelvragen) stellen,.

  • Je kunt een probleem formuleren. 
  • Standpunt geven 

Slide 29 - Tekstslide

Slot
  • Antwoord op de hoofdvraag uit de inleiding
  • Oplossing voor probleem uit de inleiding
  • Herhaling van standpunt.
  • De hoofdgedachte van de tekst --> vaak de conclusie
--> kan aangevuld worden met een samenvatting, een aanbeveling of een toekomstverwachting 



Slide 30 - Tekstslide

Inleiding of slot? Waarom?
Kortom, als je een puber bent, moet je duidelijke grenzen opgelegd krijgen. Gebeurt dat niet, dan kun je je ontwikkelen tot een onevenwichtige persoonlijkheid, die niet geleerd heeft rekening te houden met anderen. Zonder grenzen kun je jezelf ook in gevaar brengen. Al ervaar je het zelf niet altijd zo, toch is het goed als je ouders weleens 'nee' verkopen. 

Slide 31 - Tekstslide

Inleiding of slot? Waarom?

Slide 32 - Open vraag

Inleiding of slot? Waarom?
Afgelopen zondag was het weer zover: een buitenspeldoelpunt werd goedgekeurd en daardoor won Oranje-Rood de beker. Blijkbaar is het zelfs voor doorgewinterde grensrechters moeilijk te bepalen wanneer een speler buitenspel staat. De KNVB wil mede daarom de rol van de grensrechter in het amateurvoetbal veranderen. 

Slide 33 - Tekstslide

Inleiding of slot? Waarom?

Slide 34 - Open vraag

Inleiding of slot? Waarom?
Ik vind het feit dat Suriname Nederlands bezit werd een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis. Het had veel gevolgen voor de mensen toen in Suriname en ook voor nu. Er zijn nog steeds veel Nederlandse elementen in Suriname en andersom zijn veel elementen uit de Surinaamse cultuur zichtbaar in Nederland. Daarnaast wonen er nu ook veel Surinamers in Nederland. Ik vind dan ook dat deze gebeurtenis herdacht moet worden, waarbij er aandacht zou moeten zijn voor zowel de positieve als negatieve gevolgen van deze gebeurtenis. 

Slide 35 - Tekstslide

Inleiding of slot? Waarom?

Slide 36 - Open vraag

Een goede inleiding van een tekst bestaat uit twee delen, want een inleiding
A
trekt de aandacht en noemt voorbeelden
B
trekt de aandacht en introduceert het onderwerp
C
noemt voorbeelden en introduceert het onderwerp
D
motiveert om te lezen en trekt aandacht

Slide 37 - Quizvraag