Voorbereiden toets Woorden/Grammatica/Spelling Hoofdstuk 3

Woorden 3.5
Zorg dat je de woorden kent van deze paragraaf (210-211 werkboek A).  
Je kent de betekenis en kunt een zin maken met een woord, waaruit de betekenis van dat woord blijkt. 
Oefenen: overhoren, overschrijven, woordtrainer Talent

1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Woorden 3.5
Zorg dat je de woorden kent van deze paragraaf (210-211 werkboek A).  
Je kent de betekenis en kunt een zin maken met een woord, waaruit de betekenis van dat woord blijkt. 
Oefenen: overhoren, overschrijven, woordtrainer Talent

Slide 1 - Tekstslide

Afleidingen 3.5
Door voor of achter een woord een  voor- of achtervoegsel te plakken, krijg je een nieuw woord. Dat woord noemen we een afleiding. Neem het woord Rommel.
Rommel = grondwoord 
grondwoord + achtervoegsel of + voorvoegsel = afleiding
Rommel (grondwoord)+tje (achtervoegsel)  Rommeltje is een nieuw woord en dat is een afleiding
on (voorvoegsel)+ weer (grondwoord)onweer  onweer is het nieuwe woord en is dus een afleiding

 
Zorg dat je weet hoe je afleiding van plaatsnamen schrijft.
Bijvoorbeeld Rotterdam-Rotterdamse haven

Slide 2 - Tekstslide

Grammatica 3.7
Zinsontleden! Je kunt zinnen ontleden en de volgende zinsdelen benoemen: 
- PV (persoonsvorm)
-WG (werkwoordelijk gezegde)
- O (Onderwerp)
LV (Lijdend voorwerp)
MV (Meewerkend voorwerp)

Slide 3 - Tekstslide

Hoe oefen je dit?
- Test jezelf
- Versterk Jezelf
- Oefeningen in het boek
- Bekijk de ppt en de lesson-up hierover
- Leer de theorie in het boek

Slide 4 - Tekstslide

Wat is in deze zin het werkwoordelijk gezegde?
Op youtube is de nieuwste hit van Harry Styles te zien
A
Is
B
Is zien
C
Is te zien

Slide 5 - Quizvraag

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

Slide 6 - Open vraag

Welke vraag moet je stellen om het meewerkend voorwerp te vinden bij onderstaande zin?
Voor haar verjaardag heb ik mijn buurvrouw nieuwe theeglazen gegeven.
Wat is het meewerkend voorwerp?

Slide 7 - Open vraag

Benoem van deze zin het WG, O, LV en MV
Deze leerlingen hebben de antwoorden aan de docent gegeven.
WG=
O=
LV=
MV=

Slide 8 - Open vraag

Maak een zin met daarin een persoonsvorm, een werkwoordelijk gezegde met twee werkwoorden, een onderwerp, een lijdend voorwerp en een meewerkend voorwerp.

Slide 9 - Open vraag

Spelling 3.8

spelling voltooid deelwoord
dicteewoorden

Slide 10 - Tekstslide

Drie dingen die je moet kunnen
1. spelling voltooid deelwoorden sterke en zwakke werkwoorden
2. weten hoe je voltooid deelwoorden van werkwoorden met ge, ve, be, ont, schrijft.
3. weten hoe je een voltooid deelwoord van een splitsbaar ww schrijft.

Slide 11 - Tekstslide

Belangrijk is dat je de persoonsvorm en het voltooid deelwoord herkent.  
1. Vannacht heb (PV) ik een nachtmerrie gehad (VD)
2. Dit wordt (PV) altijd bepaald (VD)door het bestuur van de school. 
3. Hij bepaalt (PV) dit het liefste zelf. 

Slide 12 - Tekstslide

Op grond van hun kleding worden veel mensen zomaar veroordeeld.

Benoem de pv en het voltooid deelwoord

Slide 13 - Open vraag

Hem is schade (toebrengen). Schrijf het voltooid deelwoord op.

Slide 14 - Open vraag

Maak een zin met het voltooid deelwoord van het ww opstellen

Slide 15 - Open vraag

Hoofdletters....wanneer gebruik je die?
Leer de leerstof in je boek (blz. 236)

Slide 16 - Tekstslide

Verbeter onderstaande zin (hoofdletters):
1000 Exemplaren worden er verloot van het boek lampje van Annet schaap.

Slide 17 - Open vraag

Dictee....vier woorden

Slide 18 - Open vraag

Kijk nu je eigen toets na voor het onderdeel Grammatica!

Stel vragen als je het niet snapt!

Slide 19 - Tekstslide

Kahoot grammatica?
Als we nog tijd hebben....

Slide 20 - Tekstslide

Voorbereiden toets Woorden/Grammatica/Spelling Hoofdstuk 3

Slide 21 - Tekstslide