GMK Herhaling Verpleegkundige Les 1 , 2 en 3

Herhaling les 1, 2 en 3
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
GMKMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

Herhaling les 1, 2 en 3

Slide 1 - Tekstslide

Wat is behandeldoel van een causale behandeling ?
A
behandelen van de symptomen
B
genezing van de aandoening
C
om een ziekte te voorkomen
D
om een diagnose te stellen

Slide 2 - Quizvraag

Dhr de Groot krijgt enalapril voor zijn hoge bloeddruk. Wat voor soort behandeling is dit?
A
profylactisch
B
diagnostisch
C
symptomatisch
D
substitutie

Slide 3 - Quizvraag

Hoe noemen we het als we een lichaamseigenstof toevoegen
A
Symptomatisch
B
Palliatief
C
Substitutie
D
Profylactisch

Slide 4 - Quizvraag

Hoe noemen we het als je voor twee geneesmiddelen uit dezelfde groep overgevoelig bent?
A
intolerantie
B
therapietrouw
C
allergisch
D
kruisovergevoeligheid

Slide 5 - Quizvraag

welke omschrijving hoort bij het woord indicatie
A
een reden om een geneesmiddel niet te geven
B
een negatief effect van een geneesmiddel
C
een reden om een geneesmiddel te geven
D
een geneesmiddel zonder werkzaam gestanddeel

Slide 6 - Quizvraag

Mevr Hassan krijgt paractemol tegen de koorts. Wat voor soort behandeling is dit?
A
diagnostisch
B
substitutie
C
symptomatisch
D
causaal

Slide 7 - Quizvraag

Bij welke site meldt je een bijwerking die niet op de bijsluiter staat
A
Kennisbank
B
Lareb
C
Apotheek.nl
D
Farmaceutisch kompas

Slide 8 - Quizvraag

wat is de toedingsvorm die auriculair gebruikt wordt?
A
neusspray
B
oordruppels
C
oogdruppels
D
inhalatie apparaatje

Slide 9 - Quizvraag

welke van onderstaand middel wordt oraal gebruikt
A
klysma
B
zetpil
C
inhalatie apparaatje
D
drankje

Slide 10 - Quizvraag

wat is de toedingsweg van een Fentanyl pleister
A
cutaan
B
transdermaal
C
tracheaal
D
oromucosaal

Slide 11 - Quizvraag

wat betekent intraveneus
A
injectie in de spier
B
injectie onderhuids
C
injectie in de ader

Slide 12 - Quizvraag

wat betekent UR
A
verkrijgbaar alleen in de apotheek
B
uitsluitend verkrijgbaar op recept
C
uitsluitend verkrijgbaar bij drogist en apotheek
D
vrij verkrijgbaar

Slide 13 - Quizvraag

welke zorgverleners mogen alle medicatie voorschrijven
A
basisarts en tandarts
B
huisarts en apotheker
C
specialist en basisarts
D
specialist en verloskundige

Slide 14 - Quizvraag

eliminatie is het uitscheiden van medicatie
A
waar
B
niet waar

Slide 15 - Quizvraag

wat gebeurt er bij distributie van een geneesmiddel in het lichaam ?
A
het wordt klaagemaakt om uitgescheiden te worden
B
wordt verspreid door het lichaam via de bloedbaan
C
het wordt opgenomen in het lichaam
D
het wordt uitgescheiden

Slide 16 - Quizvraag

Wat is de juiste volgorde van de processen bij een first-pass effect?
A
ADMEM
B
AMDME
C
AMEMD
D
DAMEM

Slide 17 - Quizvraag

wat betekent het woord bloedspiegel ?
A
concentratie van een geneesmiddel in het bloed
B
hoeveel die daadwerkelijk vrijkomt uit het geneesmiddel
C
klein verschil tussen de effectieve dosering en overdosering
D
opstapeling van het geneesmiddel in het bloed.

Slide 18 - Quizvraag

In een tablet zit 100mg, daarvan wordt 75mg opgenomen in het bloed. De _________________ is 75%.

Slide 19 - Open vraag

Na orale inname komt een geneesmiddel via het bloed meteen door de lever. Hier vindt het _______________ plaats.

Slide 20 - Open vraag