Les 7 §10 voegwoorden

Lesplanning

* stillezen in je leesboek
* bespreken huiswerk
* theorie §10 voegwoorden
* oefenen met voegwoorden


Lesdoel

Aan het eind van de 
les kan/weet ik:
* voegwoorden herkennen.
* nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden herkennen en gebruiken.

timer
10:00
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Lesplanning

* stillezen in je leesboek
* bespreken huiswerk
* theorie §10 voegwoorden
* oefenen met voegwoorden


Lesdoel

Aan het eind van de 
les kan/weet ik:
* voegwoorden herkennen.
* nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden herkennen en gebruiken.

timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
di:
C5 §10 opdr. 1

do:
C5 §14 opdr. 1

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voegwoord
Verbindt zinnen, zinsdelen of losse woorden aan elkaar.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Brainstorm in twee- of drietal. 
Elke groep schrijft op een vel papier met een marker/stift, zo duidelijk mogelijk. 

Schrijf zoveel mogelijk voegwoorden op die jullie kennen. 

Denk snel en verspil geen tijd! 
timer
3:00

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


1. Je leest nog eens de theorie van §10 voegwoorden en je maakt dan in stilte opdracht 2 t/m 4 van het lesboek.

Vragen? Kijk eerst bij de theorie. Als je er dan nog niet uitkomt, laat je de vraag open tot de algemene uitleg is afgerond. Daarna kan je overleggen met je buurvrouw of -man. Komen jullie er samen niet uit? Dan steek je je hand op en kom ik langs.


2. Je doet mee met het klassikaal bespreken van de theorie.








Als je klaar bent, maak je de opdracht 5 van §10.

Keuzemoment

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voegwoord
Enkelvoudige zin        - een zin met één persoonsvorm
Samengestelde zin     - een zin met meerdere persoonsvormen

Een samengestelde zin bestaat uit twee of meer zinnen. De zinnen worden meestal verbonden door voegwoorden.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Er zijn twee verschillende voegwoorden:

1. Nevenschikkende
2. Onderschikkende

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nevenschikkende voegwoorden (ns vg)
  1. Verbinden gelijkwaardige delen met elkaar.
  2. De zinnen kunnen onafhankelijk van elkaar gebruikt worden. De woordvolgorde blijft dan onveranderd.
  3. En - want - maar - of 


Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leo kan niet naar binnen, want hij is zijn sleutel vergeten.

Leo kan niet naar binnen.
Hij is zijn sleutel vergeten.

Nevenschikkend voegwoord = want

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onderschikkende voegwoorden (os vg)
  1. Verbinden ongelijkwaardige delen met elkaar.
  2. De zinnen kunnen niet onafhankelijk van elkaar gebruikt worden zonder de woordvolgorde te veranderen.
  3. Veel verschillende os vg. 

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld
De boer heeft het land omgeploegd, zodat hij volgende week aardappels kan planten.

Zin 1: De boer heeft het land omgeploegd.
Zin 2: Hij kan volgende week aardappels planten.
Volgorde zin 2 wordt aangepast bij de samengestelde zin. 
zin = os vg = zodat

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Joanne kan niet mee, omdat ze ziek was.

  • Joanne kan niet mee.
  • Ze ziek was.

  • os vg = omdat

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ZELFSTANDIG WERKEN
Wat:
Maak opdracht 2 t/m 4
Hoe:
In je schrift
Je mag fluisterend overleggen.
Hulp:
Theorie uit je boek of je aantekeningen
Docent (hand omhoog)
Tijd:
15minuten
Klaar:
Vul je hulpkaart aan met de kennis die je nu hebt van het voegwoord.
Lees de theorie van §14 
timer
15:00

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
Do 6-3:
§14 betr.vnw - lz. theorie + m. opdr. 1

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf op
Wat is het voegwoord in onderstaande zin en is deze onderschikkend of nevenschikkend?

De fruitboom heeft mooi gebloeid, maar door de droogte blijven de vruchten weg.

Slide 15 - Tekstslide

maar = ns
Schrijf op
Ik kan voegwoorden herkennen en correct benoemen.
0 = echt (nog) niet / 10 = absoluut wel

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe vind je dat je gewerkt hebt?
Teken een emoji in je schrift.
timer
1:00

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies