Startopdracht, theorie 144 / 220-222
Het boek ____ ik gisteren heb gelezen, was erg spannend.
De jongen _____ naast mij woont, is mijn beste vriend.
De leraar aan ____ we altijd om hulp vragen, is erg geduldig.
Ik weet niet ____ hij bedoelt, maar het klinkt interessant.
Iemand heeft zijn jas hier laten liggen.
Het antwoord op de moeilijke vraag wist niemand.
Iedereen was blij met het goede nieuws.
Ik heb iets lekkers voor ons allemaal meegenomen.