Betekenisverschil voorzetsels



Wat zijn voorzetsels ook alweer?
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les



Wat zijn voorzetsels ook alweer?

Slide 1 - Tekstslide

Ich fahre nach Hause. 

Ich fahre nächste Woche in die Schweiz.

Wir gehen zu meinen Eltern.

Slide 2 - Tekstslide

Nach dieser Stunde kannst du:

  • die niederländischen Präpositionen naar, voor, bij und door ins Deutsche übersetzen und dabei die Bedeutungsunterschiede beachten
  • die richtigen Endungen bestimmen 

Slide 3 - Tekstslide

Naar
Kun je in het Duits vertalen met :
- nach 
- zu 
-in 



Slide 4 - Tekstslide

naar= nach/zu/in
Je gebruikt nach voor namen van steden en landen + voor de woordjes 'links' en 'rechts' + als 'naar' geen richting aangeeft + in de uitdrukking 'nach Hause kommen/gehen/fahren'

Je gebruikt in bij namen van landen met lidwoord + als 'naar' betekent dat je ergens naar binnen gaat

Je gebruikt zu in alle overige gevallen

Slide 5 - Tekstslide

Im Sommer fahre ich ____ die Schweiz
A
nach
B
in
C
zu

Slide 6 - Quizvraag

Am Wochenende gehen wir ___ Freunden.
A
nach
B
in
C
zu

Slide 7 - Quizvraag

Tot morgen
A
Tot morgen
B
Bis Morgen

Slide 8 - Quizvraag

Op maandag
A
Auf Montag
B
Am Maantag
C
Am Montag
D
An dem Montag

Slide 9 - Quizvraag

Hier musst du ___ links abbiegen.
A
nach
B
in
C
zu

Slide 10 - Quizvraag

Voor
Kun je in het Duits vertalen met :
- vor
- für

Slide 11 - Tekstslide

voor = für/ vor
Je gebruikt vor bij aanduidingen van plaats of tijd:
Der Wagen steht vor dem Haus. / Der Unfall passierte vor einer Woche.
Je gebruikt für voor overige gevallen:
Ich habe das für dich gemacht. / Mein Vater ist für diesen Plan.

Slide 12 - Tekstslide

Ich warte ___ den Bus.
Figuurlijk .... pfffff
A
auf
B
am

Slide 13 - Quizvraag

Letterlijk: je staat op de bus, op het dak:

Ich warte auf ... Bus!
A
dem
B
den

Slide 14 - Quizvraag

Ich habe das ____ dich gemacht.
A
vor
B
für

Slide 15 - Quizvraag

Bij
Kan je in het Duits vertalen met: 
- zu
- bei

Slide 16 - Tekstslide

bij = zu/bei 
Je gebruikt zu bij een beweging:
Sie setzt sich zu mir. / Ich lege die Zeitung zu den Büchern.

Je gebruikt bei in overige gevallen: 
Sie sitzt bei mir. / Die Zeitungen liegen bei den Büchern.

Slide 17 - Tekstslide

Der Stift liegt ____ dem Buch.
A
zu
B
bei

Slide 18 - Quizvraag

Ich lege den Stift ___ den Büchern (mv).
A
zu
B
bei

Slide 19 - Quizvraag

Door
Kun je in het Duits vertalen met :
- von
- durch

Slide 20 - Tekstslide

door= von/durch
Je gebruikt von in passieve (lijdende) zinnen:
Die Stadt wurde von einem Erdbeben zerstört. / Er wurde von der Polizei verhaftet.

 Je gebruikt durch in overige gevallen:
Der Zug fährt durch den Tunnel. / Wir reisen durch das Land.

Slide 21 - Tekstslide

Wir machen eine Reise ____ Deutschland.
A
von
B
durch

Slide 22 - Quizvraag

Der Fernsehturm wurde ____ der DDR gebaut.
A
von
B
durch

Slide 23 - Quizvraag

Dit heb ik vandaag geleerd

Slide 24 - Open vraag

Ik kan de voorzetsels naar, voor, bij en door vertalen en de betekenisverschillen herkennen
😒🙁😐🙂😃

Slide 25 - Poll