MYP4 vrijdag 11 oktober 2024

MYP4 iii vrijdag 11 oktober
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

Onderdelen in deze les

MYP4 iii vrijdag 11 oktober

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het als je iemand een kwal noemt?

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet de nieuwe kwal? Wat wil de nieuwe kwal?
Paulien Cornelisse 9 oktober 2024
Ik neem aan dat ik niet de enige ben wier dag beter werd door dit bericht: er bestaat een kwalsoort die, als hij/zij gewond is, met een andere gewonde kwal kan versmelten. Samen worden zij dan één nieuwe kwal.

Wat weet de nieuwe kwal? Wat wil de nieuwe kwal? Hij/zij kan er niet over praten. En misschien zijn het ook onnodige vragen, want het bijzondere aan deze kwal is nu juist dat die, qua immuunsysteem maar misschien ook qua identiteit, geen onderscheid maakt tussen ‘zelf’ en ‘niet-zelf’.

Hier blijkt maar eens uit hoe onterecht het is dat mensen andere mensen ‘een kwal’ kunnen noemen. De menselijke kwal heeft juist gigantisch veel ideeën over ‘zelf’, en over de belangrijkheid van ‘zelf’; dat zorgt ervoor dat hij zich op feestjes kan opdringen aan mensen die daar niet op zitten te wachten.

Of moeten we dit menstype eigenlijk zien als een gewonde kwal, wanhopig op zoek naar versmelting?

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inhoud
Kwal
Quiz
Taalmenu



Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

inversie

Slide 6 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

wederkerend

Slide 7 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een ander woord voor de toespraak?
A
het argument
B
het detail
C
de rede
D
de waardering

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is belangrijk om te lezen bij het globaal lezen?
A
Je leest de hele tekst.
B
Je leest de titel, inleiding, tussenkopjes .
C
Je kijkt allereerst naar de inhouidsopgave.

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een persoonlijk voornaamwoord?
A
Mijn, jouw, haar, uw, ons, jullie etc.
B
Ik, jij, hij, zij, wij, jullie etc.
C
Wijst iets aan: deze, die, dit en dat
D
Plakt twee zinnen aan elkaar

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een wederkerend voornaamwoord in deze zin:
Ik schaam me
A
Ik
B
schaam
C
me
D
X

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Is dit werkwoord wederkerend?
bemoeien
A
Ja
B
Nee

Slide 12 - Quizvraag

Het werkwoord is: zich bemoeien.
- Bemoei je met je eigen zaken.
- Ouders bemoeien zich met de opvoeding van hun kinderen.
Wat is geen verplicht wederkerend werkwoord?
A
verslapen
B
uitsloven
C
gedragen
D
wassen

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het bezittelijk voornaamwoord:
A
zijn
B
fiets

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke zin met inversie is goed?
A
Sinds gisteren woont Emma in het centrum.
B
In het centrum Emma woont sinds gisteren.
C
Emma in het centrum woont sinds gisteren.
D
Gisteren Emma woont in het centrum sinds.

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke zin zie je inversie?
A
De bladeren vallen van de boom.
B
De fiets staat in de schuur.
C
..., terwijl ik muziek luister.
D
Met een lepel kan ik soep eten.

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke zin is de inversie goed?
A
Gisteren ik moest naar de dokter.
B
Ik moest gisteren naar de dokter.
C
Gisteren moest ik naar de dokter.
D
Moest ik gisteren naar de dokter?

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijke voornaamwoorden
u
bezittelijke
wederkerende

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf een eigen  troonrede


Schrijf een toespraak waarin je plannen maakt voor iets in jouw leven.
Bijvoorbeeld:
- AICS
-MYP4
...

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Toespraak opnemen
Je gaat een van je twee toespraken opnemen.

Kies een toespraak (stelling of "troonrede").
Werk deze uit.
Laat deze door een klasgenoot opnemen.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De toespraak
Vooraf
Voordat je een toespraak gaat houden moet je over de volgende vragen nadenken:
1. Wie ga ik toespreken?
2. Wat is het doel van mijn toespraak?
3. Welke aanpak past bij mijn doel? 



4. beroep op normen en waarden
5. tegenstellingen
6. vergelijkingen

b. Stijlmiddelen

1. herhaling van het standpunt
2. retorische vraag
3. overdrijving
4. opsomming (climax)
5. spreekwoorden
6. sarcasme en ironie

De zakelijke aanpak (Kennis en verstand staan centraal; geschikt om mensen te overtuigen
die nog geen standpunt bepaald hebben.)
a. Soorten argumenten

1. feiten, gegevens uit onderzoek
2. oorzaak en gevolg (a veroorzaakt b)
3. doel en middel (met a bereik je b)
4. logische redeneringen (als a, dan b)

b. Stijlmiddelen

1. veel mededelende zinnen met verbindingswoorden
2. beeldspraak
3. aforismen (scherpzinnige uitspraken)
4. beschrijvingen, verhaaltjes

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De aanpak in een betogende toespraak
In een betogende toespraak kun je kiezen voor een van de volgende strategieën. Vaak zie je
dat voor een combinatie van strategieën is gekozen.
De emotionele aanpak (Gevoel staat centraal; geschikt als je gelijkgezinden toespreekt)

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten argumenten
1. voorbeelden
2. anekdotes
3. waarnemingen
4. beroep op normen en waarden
5. tegenstellingen
6. vergelijkingen

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stijlmiddelen
1. herhaling van het standpunt
2. retorische vraag
3. overdrijving
4. opsomming (climax)
5. spreekwoorden
6. sarcasme en ironie

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De zakelijke aanpak
(Kennis en verstand staan centraal; geschikt om mensen te overtuigen
die nog geen standpunt bepaald hebben.)
a. Soorten argumenten

1. feiten, gegevens uit onderzoek
2. oorzaak en gevolg (a veroorzaakt b)
3. doel en middel (met a bereik je b)
4. logische redeneringen (als a, dan b)





1. veel mededelende zinnen met verbindingswoorden
2. beeldspraak
3. aforismen (scherpzinnige uitspraken)
4. beschrijvingen, verhaaltjes

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stijlmiddelen
1. veel mededelende zinnen met verbindingswoorden
2. beeldspraak
3. aforismen (scherpzinnige uitspraken)
4. beschrijvingen, verhaaltjes

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Toespraak schrijven
Je gaat zelf een toespraak houden.
Kijk naar voorgaande slides.
Minstens 300 woorden.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 35 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht n.a.v. toespraak Grunberg
Schrijf in je eigen woorden wat Arnon Grunberg in deze toespraak zegt.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 37 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Verkoop aan je tafelgroepje iets onzinnigs 
10 minuten
Schrijf over een gum/een zakdoekje/... . Zeg waarom het fantastisch is.
5 minuten
Vertel in je groepje elkaars verhaal. Overtuig je klasgenoten hoe geweldig jouw dingetje is.

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zoek een goede toespraak
Zoek een goede toespraak (mag ook in het Engels zijn)
Kies in je tafelgroepje de beste toespraak

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 40 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Klare taal
Modale werkwoorden

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies