This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
LET OP!
Noteer je berekeningen bij de rekenvragen.
Let op de afrondingen (geld 2 decimalen, procenten 1 decimaal)
Succes met de toets!
👍🏻
Slide 2 - Slide
Wat zijn primaire behoeften?
A
Alle behoeften.
B
De behoefte aan luxegoederen.
C
De middelen om in je behoefte te voorzien.
D
De noodzakelijke levensbehoeften.
Slide 3 - Quiz
Romy bakt met haar moeder graag allerlei taarten. Soms bakken ze op een middag zelfs meerdere taarten. ‘We hebben zoveel taart’ zegt Romy, ‘dus de taarten zijn niet schaars’. Volgens haar moeder zijn de taarten juist wel een voorbeeld van schaarse goederen.
Leg de uitspraak van Romy’s moeder uit.
Slide 4 - Open question
Erik krijgt € 50 zakgeld per maand en daarnaast een krantenwijk die hem ook € 50 per maand oplevert. Zijn klasgenoot Dirk krijgt geen zakgeld. Hij heeft wel loon van een baantje bij een supermarkt. Hij verdient daar € 200 per maand.
Leg uit waarom je op basis van alleen de bovenstaande gegevens niet kunt zeggen dat Dirk meer welvaart heeft dan Erik.
Slide 5 - Open question
Marian en Pieter hebben de laatste maanden geld gespaard voor een nieuwe auto. Met hun vakantiegeld erbij kopen ze een Volkswagen Golf. Het vakantiegeld hadden Marian en Pieter ook kunnen besteden aan een luxe vakantie naar Italië, waar ze graag heen wilden.
Geef een argument voor Marian en Pieter om het vakantiegeld te besteden aan de auto. Gebruik in je antwoord de begrippen behoefte en prioriteit.
Slide 6 - Open question
Lees de tekst hiernaast, welke vier marketinginstrumenten herken je?
Slide 7 - Open question
Juist of onjuist? Een consument is iemand die goederen en diensten verkoopt.
A
juist
B
onjuist
Slide 8 - Quiz
Juist of onjuist? Jongeren zijn voor bedrijven meestal geen interessante doelgroep.
A
juist
B
onjuist
Slide 9 - Quiz
Tijdens het gebruik van een buienradar-app op de mobiele telefoon komt een bepaald merk chocolademelk in beeld, plus een beschrijving van het product. Van welke soort reclame is hier géén sprake?
A
commerciële reclame
B
ideële reclame
C
informatieve reclame
D
merkreclame
Slide 10 - Quiz
Wat wordt bedoeld met budgetteren?
A
Inkomsten en uitgaven op elkaar afstemmen.
B
Inkomsten en uitgaven uit het verleden bekijken.
C
Vergroten van de inkomsten.
D
Verlagen van de uitgaven.
Slide 11 - Quiz
Bekijk de maandbegroting van Lianne hiernaast. Bereken hoe groot het tekort van Lianne is in procenten van haar maandinkomsten.
Slide 12 - Open question
In welk rijtje staan alleen vaste lasten?
A
abonnementen – boodschappen – huur
B
contributie voetbal – gas en elektra – huur
C
hypotheek – cadeautjes – nieuwe wasmachine
D
hypotheek - huur - benzine
Slide 13 - Quiz
Timo wil een scooter kopen. De scooter kost € 995 en de kosten voor het rijklaar maken zijn € 150. Timo spaart elke maand € 95. Hij is al zeven maanden aan het sparen. Reken uit welk bedrag Timo vanaf nu elke maand moet reserveren om de scooter over een half jaar te kunnen kopen.
Slide 14 - Open question
Neem de nummers van de afbeeldingen hiernaast over en schrijf op welk soort inkomen er bij past.
Slide 15 - Open question
De ouders van Tim ontvangen een uitkering als inkomen. Hun uitkering is de laatste jaren niet gestegen. Er was wel een beetje inflatie. Welk gevolg had dit voor de koopkracht van de ouders van Tim? Gebruik in je antwoord het begrip stijging of daling.
Slide 16 - Open question
Lees het krantenbericht hiernaast klik erop om te vergroten) Welke uitspraak is juist?
A
De koopkracht stijgt met 1,7%.
B
De koopkracht stijgt met meer dan 1,7%.
C
De koopkracht stijgt met minder dan 1,7%.
D
De koopkracht stijgt helemaal niet.
Slide 17 - Quiz
Einde toets
Klik de laatste dia weg op het kruisje en klik op inleveren.