This lesson contains 29 slides, with interactive quiz and text slides.
Lesson duration is: 180 min
Items in this lesson
buenos días
Slide 1 - Slide
"Otro" en "un poco más" Nr.10a p. 93 TB= bijbestellen
telbaar
ontelbaar
otro cuchillo
otra cuchara
otros tres cafés
otras dos cervezas
Un poco (más) de:
pan, agua, salsa
(een beetje meer..)
Vóór otro/-a en medio/-a komt nooit een onbepaald lidwoord:
Me trae una otra cerveza
opdracht 10b : cadena
"Otro" betekent een andere of nog een. Uit de context is altijd af te leiden om welke betekenis het gaat
Slide 2 - Slide
¿Qué tal la comida? Nr. 11 p. 93 TB
- als je een mening over je eten geeft gebruik je het ww estar
- als je een eigenschap van je eten geeft gebruik je het ww ser
el gazpacho es una sopa
el gazpacho está caliente
schrijf een zin met ser en een met estar ( met bijv.nw uit je boek) over 'de hamburger"
ser
la hamburguesa es de carne
estar
la hamburguesa está deliciosa
Slide 3 - Slide
Unidad 11 : we doen bij de cursus A1 t/m oef. 7 TB
Rest van Unidad 11 komt bij start cursus A2 (boek bewaren)
Deze week ook herhaling eerdere stof
Ahora: TT de 9 y 10
donderdag: oefentoets heel A1
Programa de hoy
timer
15:00
Slide 4 - Slide
Laatste nieuwe stof: Unidad 11 =vocabulario
Hoeveelheidsaanduidingen:
-Lees zelfstandig de tekst bij 7a en onderstreep alles wat te maken heeft met "una cantidad", p. 100 TB
-Maak 7c samen
-Vul in je werkboek het onderdeel "hoeveelheidsaanduidingen" in bij de R&S, p.113.
Programa :
piso / casa / vivienda
Slide 5 - Slide
Unidad 11 p. 97 TB
Casa nueva , vida nueva
een woning beschrijven
inrichting beschrijven
complimenten geven en krijgen
Wat betekenen de woorden op p. 97?
Describe tu casa
Slide 6 - Slide
Inés se va a mudar
Mudarse de casa P. 98 TB
Hablamos -> Nr. 2 TB ¿Te has mudado..?
1. opdr. 3a: Combineer de voorwerpen met de nummers ........
luister en maak de sleepvraag op de volgende slide
2.opdr. 3b
Slide 7 - Slide
Inés quiere llevarse.....
el microondas
las camas
la mesa y sillas de la terraza
la nevera
el espejo
el lavaplatos
el escritorio
Slide 8 - Drag question
¿Qué diferencias tiene tu piso..? Nr. 3c TB p. 98
oefenen met vergelijkingen/ontkenning/voca
en parejas
timer
6:00
Slide 9 - Slide
Spanjaarden zijn bescheiden en zwakken een compliment vaak een beetje af.
Nr. 6a TB Llegan visitas:
Luister en geef aan of de beweringen bij A juist zijn. Je mag meelezen met de transcriptie
op pagina 143 TB
¡Qué mesa tan bonita!
¿Tú crees?
¡Tienes un salón muy grande!
¿Te parece?
¡Qué práctico!
¿Te gusta?
6b. luister nogmaals en combineer commentaar met reactie
Slide 10 - Slide
Dale un cumplido a tu compañero/a
Qué casa más bonita tienes, Tom
¿Cómo reacciona Tom?
- ¿Tú crees? ...
- ¿Te parece?...
- ¿Te gusta?...
Slide 11 - Slide
Este es el coche de Robin
Slide 12 - Slide
a practicar
un poco de todo
overzicht A1 (Canvas)
Slide 13 - Slide
werkblok
werk aan de opdrachten 1 t/m 10 WB Unidad 11
timer
10:00
Slide 14 - Slide
¿De qué tienes ganas hoy?
zin hebben in/om
TENER + GANAS DE + hele werkwoord
Voorbeeld:
Tengo ganas de quedar con mis amigos en el bar
Tengo ganas de quedarme en casa
quedar= afspreken
quedarse = blijven
Slide 15 - Slide
vamos a repasar varios temas
Yo hago grupos de 4 (máximo) y pon las mesas así
steeds 5 (check) minuten per onderdeel
Maak aantekeningen
timer
5:00
Slide 16 - Slide
empezamos con el circuito
LoL: verschillende (spreek-)opdrachten
vraag naar elkaars persoonlijke gegevens
Vul het werkblad in
timer
5:00
Slide 17 - Slide
Voer samen een gesprek zoals hieronder
elkaar begroeten
voorstellen
leeftijd vragen en zeggen
vragen waar de ander woont
vragen waar de ander vandaan komt
vraag en zeg wat je leuk vindt
reageer op de ander
timer
5:00
Slide 18 - Slide
seguimos..
dobbelen_un poco de todo
extra tijd
timer
5:00
Slide 19 - Slide
En el restaurante
1. Dime una frase para pedir algo en un restaurante.
2. ¿Cómo se pide algo más?
3. ¿Cómo se valora la comida?
4. ¿Qué verbo utilizar para preguntarle al camarero sobre los ingredientes?
(Wat voor ingredienten bevat de maaltijd)
Slide 20 - Slide
2xrollenspel: ober/gast
Slide 21 - Slide
¿ Quién es quién? in tweetallen
Om personen te beschrijven kun je het uitgedeelde vocabulaire gebruiken.
Vervolgens spelen jullie het spel ¿Quién es quién?
Beschrijf iemand uit de klas
stel vragen als : draagt hij/zij een bril; is het een man; heeft hij kort haar, etc.
timer
7:00
Slide 22 - Slide
Stel elkaar vragen als :
¿ Cómo se llama el padre de tu padre?
¿y su mujer?
¿ Tienes hermanos?
¿Cómo se llaman?
¿Tienes tíos?
De stamboom
Slide 23 - Slide
timer
8:00
Slide 24 - Slide
Me despierto- me levanto- me ducho- me baño- me lavo el pelo- me afeito- me peino- me cepillo los dientes- me visto- desayuno- me maquillo- escucho la radio- veo la tele- leo el periódico- me voy .
Slide 25 - Slide
op de volgende slide
Slide 26 - Slide
¿Qué hay? pag. 98
Maak tweetallen.
Beschrijf om de beurt aan elkaar
een ruimte in het huis en geef zo veel mogelijk
details.
Slide 27 - Slide
persoonlijk voornaamwoorden
vul samen het werkblad in
Slide 28 - Slide
Nos vemos en los exámenes
heb je nog vragen? Blijf even hangen
zorg dat je voorbereid bent voor de oefentoets donderdag