Verdienen & Uitgeven (5e) Samenvatting

Macro-economie
In de vorige lesbrief (Jong & Oud) hebben hebben we één bepaalde markt behandeld (Micro-economie). Binnen de Micro-economie staat het gedrag van het individu of een groep staat centraal.
Binnen de Macro-economie bestuderen we niet één bepaalde markt meer, maar kijken we naar het totaal:
  • de vraag van alle consumenten samen
  • het aanbod van alle ondernemingen samen
  • de totale waarde van productiviteit van een land = het Bruto Binnenlands Product (BBP)

1 / 40
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 40 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Macro-economie
In de vorige lesbrief (Jong & Oud) hebben hebben we één bepaalde markt behandeld (Micro-economie). Binnen de Micro-economie staat het gedrag van het individu of een groep staat centraal.
Binnen de Macro-economie bestuderen we niet één bepaalde markt meer, maar kijken we naar het totaal:
  • de vraag van alle consumenten samen
  • het aanbod van alle ondernemingen samen
  • de totale waarde van productiviteit van een land = het Bruto Binnenlands Product (BBP)

Slide 1 - Slide

BBP
Het Bruto Binnenland Product (BBP) = de totale (toegevoegde) waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten gedurende een bepaalde periode (meestal een jaar).

Het BBP dient als maatstaf voor
de welvaart in een land!

meer productie
=> hoger BBP
=> meer welvaart


Slide 2 - Slide

Toegevoegde waarde





toegevoegde waarde = omzet - inkoopwaarde (van de omzet) = productie = inkomen bedrijf

Slide 3 - Slide

Bedrijfskolom
Een bedrijfskolom bestaat uit alle bedrijven waarin de opeenvolgende productiestadia worden doorlopen van oerproduct tot eindproduct.

Slide 4 - Slide

Productiefactoren

Slide 5 - Slide

Productiefactoren & Inkomen

Slide 6 - Slide

Primair inkomen (en secondair)
Primair inkomen (loon, pacht, huur, rente en winst)
+ Sociale uitkeringen en toeslagen (huur, zorg en kinderopvang)
- Belastingen en sociale premies (progressief)
= Secondair inkomen = netto besteedbaar inkomen


Primaire inkomens (loon, pacht, huur, rente en winst) dragen bij aan de productie, overdrachtsinkomens (sociale uitkeringen en toeslagen) niet!

Slide 7 - Slide

Primair inkomen

Slide 8 - Slide

Bruto Binnenlands Product (BBP)


=
 de productie van alle commerciële en
niet-commerciële bedrijven bij
elkaar opgesteld
=
Bruto Binnenlands Inkomen (BBI)


Slide 9 - Slide

Bruto Binnenlands Product (BBP)
BBP kijkt alleen naar de formele economie, alle in Nederland officiële geregistreerde transacties.

Er is ook een informele economie bestaande uit:
  • grijze deel, legale activiteiten als huishoudelijk werk
  • zwarte deel, illegale activiteiten zoals iemand die bijwerkt zonder BTW in rekening te brengen of handel in verdovende middelen



Slide 10 - Slide

BBP objectief en subjectief
                                  via de productie BBP        =          via het inkomen BBI
                                 (objectieve methode)                  (subjectieve methode)







                             + ambtenarensalarissen                     + afschrijvingen 

Slide 11 - Slide

Reëel inkomen
Reëel inkomen betekent inkomen in goederen (of volume),
in tegenstelling tot nominaal inkomen dat inkomen in geld betekent.
Formule: % Δ reëel inkomen = % Δ nominaal inkomen - % inflatie

Slide 12 - Slide

BBP (Nederland)



Vragen:
1. Waar liggen de rijkste gebieden van Nederland?
2. Waar liggen de armste gebieden van Nederland?
BBPperInwoner=AantalInwonersBBP

Slide 13 - Slide

Welvaart
Welvaart is de mate waarin iemand in staat is om zijn / haar behoeften te voorzien met schaarse middelen.
  • behoeftes -> meer productie -> meer welvaart?
  • negatieve externe effecten (ziekenhuiskosten, CO2-uitstoot bij productie)
  • welvaart is subjectief

Slide 14 - Slide

Welvaart en welzijn

Slide 15 - Slide

Welvaart (maatstaven)
1. BBP per inwoner, nadelen:
  • zegt niets over verdeling
  • neemt vrijwilligerswerk en huishoudelijk werk niet mee
  • neemt zwart werk niet mee
2. Groene BBP
  • gaat uit van BBP
  • neemt natuur, milieu en duurzaamheid ook mee
3. Human Development Index (HDI)
  • gaat uit van het BBP
  • neemt volksgezondheid (m.n. levensverwachting) en niveau van scholing ook mee
4. World Happiness Index
  • gaat uit van BBP per hoofd
  • neemt mate van sociale voorzieningen, levensverwachting en keuzevrijheid ook mee

Slide 16 - Slide

Economische kringloop
  • gaat over bestedingen
  • tussen 5 economische sectoren 
       1. gezinnen
       2. bedrijven
       3. financiële instellingen
       4. overheid
       5. buitenland
  • het is een vereenvoudigde weergave van de geldstromen tussen deze sectoren (dus geen stromen van goederen, diensten en productiefactoren)
  • voor elke sector geldt: ingaande geldstroom = uitgaande geldstroom

Slide 17 - Slide

Economische kringloop (afkortingen)
  • W = Binnenlands Product
  • Y = Nationaal Inkomen
  • C = Consumptie (van consumptiegoederen)
  • B = Belastingen
  • S = Sparen
  • I = Investeringen (in kapitaalgoederen)
  • O = Overheidsbestedingen
  • E = Export
  • M = Import

Slide 18 - Slide

Economische kringloop (formules)
  • Y = C + B  + S                        (BBI = bestedingen van de gezinnen = BBP)
  • Y = C + I + O + E - M           (BBI = bestedingen aan de bedrijven = BBP)
  • particulier spaarsaldo = S - I
  • overheidssaldo              = B - O
  • nationaal spaarsaldo  = (S - I) + (B-O)
  • saldo buitenland           = E - M (saldo
                       lopende rekening betalingsbalans)
  • (S - I) + (B - O) = (E - M)

Slide 19 - Slide

Overheid
  • O = Cop + Com + lo
       Cop  = personele overheidsconsumptie
                     (naar de gezinnen)
       Com = materiële overheidsconsumptie
                     (naar de bedrijven)
       Io       = overheidsinvesteringen
                     (naar de bedrijven)
  • Y = Ybedr + Yo
       Ybedr = BBI gezinnen bij bedrijven
       Yo        = BBI gezinnen bij overheid

Slide 20 - Slide

BBP / BBI berekenen
Tekst
(ambtenarensalarissen)
+ afschrijvingen

Slide 21 - Slide

Bruto Binnenlands Product (BBP)
De hoogte van het BBP wordt bepaald door 2 factoren:
  1. de productiecapaciteit (= aanbodzijde = structuur) bestaat uit de maximale productie van alle productiefactoren in een land (hoofdstuk 3)
  2. de bestedingen (= vraagzijde = conjunctuur) komen van de 4 sectoren in de economische kringloop (hoofdstuk 4):
        consumenten, bedrijven, overheid en buitenland
        Y = C + I + O + (E - M)



Slide 22 - Slide

Bruto Binnenlands Product (BBP)

Slide 23 - Slide

Productiecapaciteit (structuur)
De grootte van de productiecapaciteit (structuur)
wordt bepaald door de kwantiteit (omvang)
en de kwaliteit van de productiefactoren (KANO):
  1. Kapitaal
  2. Arbeid
  3. Natuur
  4. Ondernemerschap



Slide 24 - Slide

1. De productiefactor Kapitaal
De omvang (kwantiteit) van de productiefactor kapitaal wordt bepaald door:
  1. het producentenvertrouwen
  2. de winsten van bedrijven
  3. de rente (in Nederland door de ECB)
  4. de besparingen van gezinnen
  5. de invloed van de overheid met subsidies en heffingen
       (arbeids-, kapitaal- of milieubesparend)

De innovatie (kwaliteit) van de productiefactor kapitaal wordt bepaald door de besteding ervan die leidt tot een verhoging van de arbeidsproductiviteit.

Slide 25 - Slide

2. De productiefactor Arbeid

De omvang (kwantiteit) van de productiefactor Arbeid wordt bepaald door:
  1. de omvang van de bevolking (zoals geboortes, immigratie en emigratie)
  2. de samenstelling van de bevolking (zoals vergrijzing)
  3. de participatiegraad (zoals deeltijd en kinderopvang)
  4. de wetgeving (zoals leerplichtleeftijd en pensioenleeftijd)



De arbeidsproductiviteit (kwaliteit) wordt bepaald door:
  1. de mate van scholing
  2. de efficiëntie (doelmatigheid) van de organisatie
  3. de mate van mechanisering, automatisering en digitalisering
  4. de arbeidsmentaliteit


Slide 26 - Slide

Beroepsbevolking

Slide 27 - Slide

Arbeidsproductiviteit
De productiefactor arbeid wordt voornamelijk bepaald door de arbeidsproductiviteit: hoeveel ik produceer binnen een bepaalde tijd.
  • productiekosten lager (loonkosten per uur verdelen over meer producten) => prijzen lager
  • betere internationale concurrentiepositie => meer export
  • economische groei!

Slide 28 - Slide

Loonkosten per product

Slide 29 - Slide

Loonkosten per product
Als de arbeidsproductiviteit stijgt, en de totale loonkosten van de werknemer blijven gelijk, dan zullen de loonkosten per product...
  • dalen, we kunnen de loonkosten immers over meer producten verdelen 

Als de arbeidsproductiviteit daalt, en de totale loonkosten van de werknemer blijven gelijk, dan zullen de loonkosten per product...
  • stijgen, we kunnen de loonkosten immers over minder producten verdelen

Als de arbeidsproductiviteit 5% stijgt, en de totale loonkosten van de werknemer stijgen met 7%, dan zullen de loonkosten per product...
  • stijgen, de arbeidsproductiviteit stijgt immers minder hard dan de totale loonkosten

Slide 30 - Slide

Loonkosten per product
Als de arbeidsproductiviteit en de totale loonkosten veranderen, hoeveel procent veranderen de loonkosten per product dan?




Procentuele verandering: omzetten naar indexcijfers!
loonkostenperproduct=arbeidsproductiviteitloonkostenperwerknemer×100
indexcijferloonkostenperproduct=indexcijferarbeidsproductiviteitindexcijferloonkostenperwerknemer×100

Slide 31 - Slide

3. De productiefactor Natuur
De omvang (kwantiteit) en kwaliteit van de productiefactor natuur is moeilijker te beïnvloeden dan de andere productiefactoren, maar denk aan:
  
  1. ontginning van nieuwe bronnen
  2. inpoldering
  3. irrigatie
  4. boskap
  5. overbevissing
  6. milieuvervuiling
  7. recycling

Slide 32 - Slide

4. De productiefactor Ondernemerschap
De omvang (kwantiteit) en de kwaliteit van de productiefactor ondernemerschap kun je beschouwen als een eigenschap van de productiefactor Arbeid, denk hierbij aan:

  1. zorgen voor een efficiënte organisatie
  2. maken van goede investeringskeuzes
  3. vergroten van de productiecapaciteit o.b.v.                                                                                                    de productiefactor waar een tekort aan is
  4. de overheid kan ondernemerschap stimuleren
        door subsidies (zoals starters-, zelfstandigen-,
        MKB- en investeringsaftrek)

Slide 33 - Slide

Inkomensongelijkheid
Voordelen:
  • meer prikkels => arbeidsproductiviteit ↑
Nadelen:
  • hogere inkomens hebben een lage tijdsvoorkeur => consumptie ↓
  • lagere inkomens hebben minder geld voor scholing => arbeidsproductiviteit ↓ 
  • lagere inkomens hebben meer schulden
  • lagere inkomens hebben meer sociale en gezondheidsproblemen
  • minder sociale cohesie

Slide 34 - Slide

Conjunctuur

Slide 35 - Slide

Krimp, recessie en depressie
                                                                        Krimp         = negatieve economische groei (het BBP daalt)
                                                                        Recessie   = de economie krimpt 2 opeenvolgende kwartalen
                                                                        Depressie = langdurige recessie met deflatie


Vragen (zie figuur rechts)
1. Waar is sprake van krimp?
  • de groene lijn onder de stippellijn
2. Waar is sprake van groei in laagconjunctuur?
  • de groene lijn tussen de rode- en stippellijn

Slide 36 - Slide

Conjunctuurindicatoren
Vertrouwensindicatoren
 1. producentenvertrouwen
 2. consumentenvertrouwen
Economische indicatoren
 3. BBP
 4. consumptie
 5. uitvoer
 6. faillissementen
 7. investeringen
 8. prijzen koopwoningen
 9. productie
Arbeidsindicatoren
 10. gewerkte uren
 11. omzet uitzendbranche
 12. werkloosheid
 13. vacatures
Hoogconjunctuur
  • veel
  • veel

  • stijgt
  • stijgt
  • stijgt
  • daalt
  • stijgen
  • stijgen
  • stijgt

  • stijgt
  • stijgt
  • daalt
  • stijgt
Laagconjunctuur
  • weinig
  • weinig

  • daalt
  • daalt
  • daalt
  • stijgt
  • dalen
  • dalen
  • daalt

  • daalt
  • daalt
  • stijgt
  • daalt

Slide 37 - Slide

Conjunctuurklok
1. Wat geeft de conjunctuurklok weer?
  • het verloop van de conjunctuur (golfbeweging)
2. Welke fasen kent de conjunctuurklok?
  • oranje (herfst) = boven de trend dalend
  • rood (winter)    = onder de trend dalend
  • geel (lente)       = onder de trend stijgend
  • groen (zomer) = boven de trend stijgend
3. Wat staat er in de conjunctuurklok?
  • de 13 conjunctuurindicatoren
4. Waar wordt de conjunctuurklok gebruikt?
  • overheidsinstellingen, OESO en onderwijs

Slide 38 - Slide

Conjunctuurbeleid
Anti- en procyclisch conjunctuurbeleid
Ingebouwde (automatische) stabilisatoren zijn sociale uitkeringen en progressieve belastingen.

Slide 39 - Slide

Rol centrale bank (ECB)
1. Uitvoeren van monetair beleid (daarbij streeft zij naar een inflatie van 2% per jaar)

  Laagconjunctuur
  • wat: maatschappelijke geldhoeveelheid vergroten
  • hoe: renteverlaging -> minder sparen / meer lenen -> meer bestedingen -> vraag stijgt -> productie stijgt -> BBP stijgt 

  Hoogconjunctuur
  • wat: maatschappelijke geldhoeveelheid verkleinen
  • hoe: renteverhoging -> meer sparen / minder lenen -> minder bestedingen -> vraag daalt -> productie daalt -> BBP daalt 

2. Toezicht houden op financiële instellingen
3. Uitgeven van bankbiljetten
4. Beheren van internationale reserves

Slide 40 - Slide