Grammatica - module: naamvallen

Grammatica 
Module naamvallen
1 / 29
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2-6

This lesson contains 29 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Grammatica 
Module naamvallen

Slide 1 - Slide

Het grammatica-schema

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Grammatica-uitleg naamvallen

Slide 5 - Slide


Om een uitgang van een woord te vinden, heb je 3 stukjes informatie nodig:

1 GROEP = der-groep, ein-groep of de rest-groep (wordt bepaald door het 1e woordje, dat een uitgang nodig heeft) OF gaat het om een persoonlijk voornaamwoord (ga dan door naar de naamval)

2 GESLACHT = wordt bepaald door 1e zelfst. nv., dat er erachter staat
3 NAAMVAL = volgorde van bepaling:
* Voorzetsel ervoor
* Werkwoord in de zin met een bepaalde naamval
* Ontleden


Slide 6 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden (Personalpronomen)

Slide 7 - Slide

Präpositionen (voorzetsels)  

Slide 8 - Slide

Präpositionen (Voorzetsels)
In het Duits bepalen voorzetsels een naamval. Dit gaat altijd boven de naamval, die de zinsdeel krijgt door ontleding!
Als een voorzetsel als voegwoord voorkomt, hebben zij geen naamval, dit krijgen ze alleen als voorzetsel!

Slide 9 - Slide

De voorzetsels

Slide 10 - Slide

De keuzevoorzetsels 
an
aan, bij, 
op (alleen bij dagen)
auf
op (plaatsbepaling)
hinter
achter
neben
naast
in 
in, naar (uitgaan/landen met lidwoord)
über
boven, over
unter
onder
vor
voor (plaats  + tijd)
zwischen
tussen

Slide 11 - Slide

Dativ
Dativ = rust, ergens zijn.

Je kunt de vraag: Wo (waar)? stellen


Die Zeitung liegt auf dem Tisch. 
Akkusativ
Akkusativ = beweging, ergens heen. 

Je kunt de vraag: Wohin (waarheen)? stellen

Sie wirft die Zeitung auf den Tisch (m). 

Slide 12 - Slide

Tijdsbepalingen na een keuzevoorzetsel staan in de derde naamval

Je kunt de vraag: Wann (wanneer)? stellen


In einer Woche kommt er. 
Ich habe das Portmonee an diesem Samstag verloren. 

Slide 13 - Slide

7/2-regel
Indien de betekenis van het werkwoord en het keuzevoorzetsel geen beweging of stilstaan uitdrukt, gebruik je de 7/2-regel:
auf + über = 4 e nv
rest = 3e nv

Slide 14 - Slide

Verben mit einem bestimmten Fall 
(werkwoorden met een bepaalde naamval)

Slide 15 - Slide

Verben mit einem bestimmten Fall (werkwoorden met een bepaalde naamval)


Een aantal werkwoorden bepalen de naamval van ’die- of dat-gene, die wordt + ‘werkwoord’. 

Zie grammatica-stencil voor de werkwoorden!

Slide 16 - Slide

Ontleden

Slide 17 - Slide

Ontleden
Alleen nadat je hebt gekeken of er geen voorzetsel voor staat of er geen werkwoord in de zin staat met een bepaalde naamval, dat betrekking heeft op dit zinsdeel, kun je gaan ontleden. Maar hoe moest dat ook al weer?


  • Onderwerp Wie/wat + gezegde? (= alle werkwoorden in de zin) 1e nv
  • Lijdend voorwerp Wie/wat + gezegde + ondewerp? 4e nv
  • Meewerkend voorwerp Aan/voor + wie/wat + gezegde + (lijdend voorwerp)?



Slide 18 - Slide

Ontleden
LET OP! Naamwoordelijk deel van het gezegde: treedt vaak op bij een vorm van het werkwoord sein, werden, bleiben, scheinen = 1e naamval (Nominativ)
sein            Der Vater ist der beste Arzt der Stadt.
werden     Der Lehrer wird der neue Direktor.
(soort 2e onderwerp: 2 uitspraken over het zelfde ding/persoon)




Slide 19 - Slide

Als je nu de volgende drie gegevens hebt, kun je zoeken in onderstaand schema:

- groep
- geslacht
- naamval

Slide 20 - Slide

De uitgangen (het grammatica-schema)

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

De bijvoegelijke naamwoorden (Adjektive)

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Video

Groep 1: DER-GRUPPE

Slide 26 - Slide

Groep 2: EIN-GRUPPE

Slide 27 - Slide

Groep 3: rest-GRUPPE

Slide 28 - Slide

Vragen?
Mail jouw docent!

Slide 29 - Slide