Werkwoorden thema gezondheid

Werkwoorden thema gezondheid
1 / 35
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Werkwoorden thema gezondheid

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Met je ogen kun je ....
A
zien
B
eten
C
slapen
D
horen

Slide 3 - Quiz

Zien
 see görmek ver
يرى (yara)
 看 (kàn)
arag
ምርኣይ (mir’ay)
dîtin
Ik zie
Jij ziet
Hij /zij ziet
Wij / jullie zien

Ik heb .... gezien

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Met je mond kun je ......
A
lezen
B
schrijven
C
eten
D
niezen

Slide 6 - Quiz

Eten
eat
 yemek
 comer
 يأكل (ya'kul)
吃 (chī)
cun
 መብላት (meblat)
 xwarin
Ik eet
Jij eet
Hij / zij eet
Wij / jullie eten

Ik heb .... gegeten

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Met je neus kun je ......
A
bewegen
B
slapen
C
eten
D
ruiken

Slide 9 - Quiz

Ruiken
smell
koklamak
 oler يشم (yashummu)
闻 (wén)
urin
ምሽታ (mishita)
bizîrîn
Ik ruik
Jij ruikt
Hij/zij ruikt
Wij/jullie ruiken

Ik heb .... geroken

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Het medicijn moet in 1 keer ..........
A
eten
B
drinken
C
kauwen
D
doorslikken

Slide 12 - Quiz

Doorslikken
swallow
 yutmak
tragar
يبتلع (yabtaliʿ)
吞 (tūn)
liq
 ምግማጽ (migmatz)
qerandin
Ik slik door
Jij slikt door
Hij/zij slikt door
Wij / jullie slikken door

Ik heb .... doorgeslikt

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Met je longen kun je .......
A
lopen
B
eten
C
ademen
D
slapen

Slide 15 - Quiz

Ademen
breathe
nefes almak
respirar
يتنفس (yatanaffas)
 呼吸 (hūxī)
neef
ምትንፋስ (mitnfas)
 hildan

Ik adem
Jij ademt
Hij/zij ademt
Wij / jullie ademen

Ik heb ..... geademd

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

De vrouw moet .......
A
ademen
B
hoesten
C
niezen
D
doorslikken

Slide 18 - Quiz

Hoesten
cough
 öksürmek
 toser
 يسعل (yasʿul) 
(késòu)
qufac
ምስኻል (miskal)
 pêşikîn
Ik hoest
Jij hoest
Hij/zij hoest
Wij/jullie hoesten

Ik heb .... gehoest

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

De vrouw moet .....
A
hoesten
B
drinken
C
niezen
D
eten

Slide 21 - Quiz

Niezen
sneeze
hapşırmak
 estornudar
 يعطس (yaʿṭas)
 打喷嚏 (dǎ pēntì)
hindhiso
ምትሕላላይ (mithlalay)
 pîsîn
Ik nies
Jij niest
Hij/zij niest
Wij / jullie niezen

Ik heb ..... geniesd

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Ik ga de zonnebrand op mijn huid .....
A
brengen
B
voelen
C
smeren
D
liggen

Slide 24 - Quiz

Smeren
apply/spread
sürmek
untar/aplicar
يدهن (yad'han)
 涂抹 (tú mǒ)
 mari
ምቅባል (miqbal)
 malandin
Ik smeer
Jij smeert
Hij / zij smeert
Wij / jullie smeren

Ik heb ... gesmeerd

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Ik mag het medicijn niet .......
A
doorslikken
B
eten
C
drinken
D
kauwen

Slide 27 - Quiz

Kauwen
chew
 çiğnemek
 masticar
يمضغ (yamdaghu)
 嚼 (jiáo)
 ruji
 ምቕማጥ (miqmat)
 çewîn
Ik kauw
Jij kauwt
Hij/zij kauwt
Wij/ jullie kauwen

Ik heb .... gekauwd

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

De kat moet ........, anders krijgt hij rugpijn.
A
drinken
B
springen
C
eten
D
bewegen

Slide 30 - Quiz

Bewegen
move
hareket 
etmek
moverse
 يتحرك (yataḥarrak)
 移动 (yídòng)
dhaqaaq
 ምውዓይ (miwʿay)
tevgerîn
Ik beweeg
Jij beweegt
Hij/zij beweegt
Wij/jullie bewegen

Ik heb .... bewogen

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Je moet de vitamines 2 keer per dag .......
A
kauwen
B
eten
C
bewegen
D
innemen

Slide 33 - Quiz

Innemen
take (medicine)
 ilaç almak
tomar (medicina)
تناول (tanaawul)
 服用 (fúyòng)
qaadashada
ምውሓዝ (miwḥaz)
xwarin (darmanê)
Ik neem in
Jij neemt in
Hij/zij neemt in
Wij/jullie nemen in

Ik heb .... ingenomen

Slide 34 - Slide

Slide 35 - Slide