Stel je voor dat twee kinderen ruzie hebben over een speelgoedauto. Eén van de kinderen wil de auto niet delen en de ander wordt boos. Met het CAR-model zou je als begeleider het volgende doen:
Competentie: Je helpt het kind dat boos is om een oplossing te vinden, bijvoorbeeld door een beurtensysteem te bedenken voor het spelen met de auto. Zo voelt het kind zich succesvol in het oplossen van het probleem.
Autonomie: Je laat beide kinderen meebeslissen over hoe ze de situatie kunnen oplossen. Je vraagt hen: "Wat kunnen we doen zodat iedereen gelukkig is?" Dit geeft ze de vrijheid om zelf een keuze te maken.
Relatie: Je zorgt ervoor dat beide kinderen zich gehoord en begrepen voelen. Je zegt bijvoorbeeld: "Ik begrijp dat jij boos bent omdat je de auto niet mag gebruiken. Laten we samen kijken naar een oplossing." Zo blijft de vriendschap en het vertrouwen tussen de kinderen behouden.
Kortom, je zorgt ervoor dat de kinderen zich goed voelen over hun eigen oplossing, dat ze zelf mogen kiezen en dat ze elkaar blijven respecteren.