Week 13 spreekvaardigheid HS30

Betoog
- standpunt

- argument

- tegenargument + weerlegging


1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 18 slides, with text slides and 2 videos.

Items in this lesson

Betoog
- standpunt

- argument

- tegenargument + weerlegging


Slide 1 - Slide

Argumenteren
Je hebt argumenten nodig om je standpunt te onderbouwen.
Je argumenten leg je uit aan de hand van feiten en voorbeelden.
'Ik vind dat.......' is een mening. Je mening onderbouw je aan de hand van feiten, bijvoorbeeld onderzoek of ervaring.

AUB: Argument, Uitleg, Bijvoorbeeld

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Inleiding voorbeeld
Wat kan anders?

Op de weg gebeuren veel ongelukken. De maximumsnelheid moet verlaagd worden naar 100 km.

Slide 4 - Slide

Inleiding voorbeeld
Wat kan anders?

Ik vind dat het weekend een dag langer zou moeten duren. Nu duurt het maar 2 dagen. Daarom vind ik dat het weekend een dag langer moet duren.

Slide 5 - Slide

Inleiding voorbeeld
Wat kan anders?

Een langer weekend zou voor iedereen veel beter zijn. Je hebt dan meer tijd om leuke dingen te doen. Ook rust je dan veel meer uit. Dus mijn standpunt is: een langer weekend voor iedereen!

Slide 6 - Slide

Inleiding 

- Zorg ervoor dat je niet in je inleiding al argumenten noemt. Dat doe je later pas.

- Gebruik niet het woord 'standpunt' in je betoog. Dus niet: 'mijn standpunt is' ..... maar: 'ik vind dat....'

Slide 7 - Slide

Middenstuk
- Formuleer een concreet argument.
- Benoem je onderzoeksresultaten? Niet als argument gebrui-
  ken maar als toelichting op je argument.
   (Uit onderzoek is namelijk gebleken dat....)
- Formuleer je argumenten niet met 'ik vind' maar met 'het is'.
   Dat is immers veel overtuigender dan wanneer jij iets vindt.
- Vermijd verwijswoorden in je argumenten! ('het', 'ze', 'dat')

Slide 8 - Slide

Tegenargument +weerlegging
LET OP: het tegenargument is nadrukkelijk NIET JOUW ARGUMENT.
Laat dat duidelijk blijken:

'Sommige mensen vinden het echter geen goed idee om........ Zij zijn namelijk van mening dat........................ Daar ben ik het niet mee eens. Dit probleem kun je bijvoorbeeld oplossen door..................'

Tegenargument en weerlegging vormen samen één alinea.

Slide 9 - Slide

Slot
- Herhaal je standpunt, gebruik het signaalwoord voor concluderend verband ('dus')

- Herhaal je twee argumenten

- Eindig met een 'uitsmijter'

Slide 10 - Slide

'Uitsmijter'
1. Maak de cirkel rond
2. Aanbeveling
3. Retorische vraag
4. Sfeertekening
5. Citaat (bijvoorbeeld van een filosoof)
6. Verwijzing naar de toekomst
7. Levensles
8. Vergelijking maken

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Taalverzorging
- De woorden 'en' 'of' 'dus' 'want' 'maar' 'want' 'omdat' gebruik je niet om de zin mee te beginnen. Dit zijn namelijk voegwoorden:
Het is belangrijk om dit te verplichten OMDAT arme mensen anders niet in staat zijn om het te betalen.
(Het is belangrijk om dit te verplichten. Arme mensen zijn anders niet in staat om het te betalen)
- Cijfers tot en met 20 schrijf je in letters. Alle tientallen ook.

Slide 13 - Slide

Opbouw betoog
inleiding: eindig met je standpunt. Werk toe naar je standpunt.
   Begin je standpunt met 'Daarom vind ik dat....'   Stel geen vragen! 
argument 1 -->toelichting (onderzoek) -->voorbeeld
argument 2 --> toelichting (onderzoek) -->voorbeeld
tegenargument (is van je TEGENSTANDER en KORT GEFORMULEERD) +
   weerlegging (maak er gehakt van!)
- slot: IS HET BELANGRIJKSTE! herhaal je standpunt. Herhaal je twee
            argumenten. Uitsmijter (geen rijmpje). De laatste kans om je lezer te
            overtuigen!

Slide 14 - Slide

SIGNAALWOORDEN
GEBRUIK ZE!

Ten eerste, bovendien, ook, daarnaast
namelijk, bijvoorbeeld, zo
Maar, echter
Dus

Slide 15 - Slide

Samengestelde zin
Ik ga naar huis, want ik heb geen zin meer.
(Ik ga naar huis. Ik heb geen zin meer)

Jules gaat niet mee, omdat hij nog huiswerk moet maken.
(Jules gaat niet mee. Hij moet nog huiswerk maken)

LET OP: de KOMMA komt VOOR het voegwoord!

Slide 16 - Slide

Getallen en tekens
Alle getallen tot en met 20: in letters schrijven.
Tientallen tot en met 100: in letters schrijven.

Vermijd procenttekens. Gebruik liever: meer dan de helft, driekwart, een kwart. Wel: tien procent.

Geen afkortingen, dubbele punten of / gebruiken.

Slide 17 - Slide

...tenslotte:
- gebruik alleen verwijswoorden wanneer duidelijk is waar het naar verwijst en om eventuele herhaling van woorden te voorkomen. Wees hier zuinig mee! ('hier' verwijst naar 'verwijswoorden').

- geen citaten gebruiken ('Mensen zeggen vaak: daar kan ik toch niets aan doen' -->veel mensen zijn van mening dat zij....)

Slide 18 - Slide