Trede 14: Meer dan lezen

Programma
Herhaling stof voor leestoets Trede 14.
  • Stappenplan lezen
  • Onbekende woorden
  • Tekstverbanden en signaalwoorden
  • Hoofd- en bijzaken
  • Feit, mening, standpunt en argument
    Oefentekst maken
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 22 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

Programma
Herhaling stof voor leestoets Trede 14.
  • Stappenplan lezen
  • Onbekende woorden
  • Tekstverbanden en signaalwoorden
  • Hoofd- en bijzaken
  • Feit, mening, standpunt en argument
    Oefentekst maken

Slide 1 - Slide

Trede 14: Begrijpend lezen
Lesdoel: herhaling stof voor leestoets Trede 14. (1)
  • Stappenplan lezen
  • Onbekende woorden
  • Tekstverbanden en signaalwoorden
  • Hoofd- en bijzaken
  • Feit, mening, standpunt en argument

Slide 2 - Slide

Stappenplan lezen
1. Oriënterend lezen = onderwerp vinden
2. Globaal lezen = deelonderwerpen vinden
3. Precies lezen = precies weten waar de tekst over gaat
4. Hoofdgedachte vinden = één zin die het belangrijkste samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt

Slide 3 - Slide

Hoofdgedachte
1. Lees de tekst precies.
2. Kijk aan het begin en het eind van de tekst of de hoofdgedachte daar letterlijk staat.
3. Als de hoofdgedachte niet in de tekst staat, vraag je dan af wat het antwoord is op de volgende vraag: wat is het belangrijkste wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt?

Slide 4 - Slide

Onbekende woorden
Als je in een tekst een onbekend woord tegenkomt, kijk dan eerst of je de betekenis uit de tekst kunt halen. Gebruik hiervoor een woordraadstrategie

Je hebt hiervoor eerder de volgende manieren geleerd: een synoniem, een omschrijving, een samenstelling, een voorbeeld en een tegenstelling zoeken.

Slide 5 - Slide

Verbanden / signaalwoorden
Wat weten we van tekstverbanden en signaalwoorden?

Slide 6 - Slide

Verbanden / signaalwoorden
In teksten staan vaak woorden als later, terwijl, ten eerste, ook, maar, toch. Dat soort woorden noemen we signaalwoorden. Ze geven aan op welke manier woorden, zinnen en alinea’s in een tekst met elkaar te maken hebben. Zo’n samenhang heet het tekstverband. Daardoor kun je een tekst beter begrijpen.

Slide 7 - Slide

Verbanden / signaalwoorden
1. Tegenstellend; tegenover, maar, hoewel, echter, toch, daarentegen, aan de ene kant... aan de andere kant.
2. Chronologisch; vroeger, later, nu, eerst, daarna, vervolgens, uiteindelijk, nadat, terwijl, dadelijk, intussen.
3. Opsommend; ten eerste, ten tweede, om te beginnen, en, daarnaast, verder, ten slotte.
4. Toelichtend; bijvoorbeeld, zo, op deze manier, als, zoals.

Slide 8 - Slide

Verbanden / signaalwoorden
Sommige ouders melden hun kind al aan als woningzoekende als ze tien jaar zijn, maar het overgrote deel van de ouders vindt dat onzin.

Slide 9 - Slide

Verbanden / signaalwoorden
Sommige ouders melden hun kind al aan als woningzoekende als ze tien jaar zijn, maar het overgrote deel van de ouders vindt dat onzin.

Tegenstellend

Slide 10 - Slide

Verbanden / signaalwoorden
Als ik na school thuiskom, ga ik meestal eerst een half uur gamen om te ontspannen, daarna doe ik een uurtje schoolwerk.

Slide 11 - Slide

Verbanden / signaalwoorden
Als ik na school thuiskom, ga ik meestal eerst een half uur gamen om te ontspannen, daarna doe ik een uurtje schoolwerk.

Chronologisch

Slide 12 - Slide

Verbanden / signaalwoorden
Aan de posters op mijn kamer kun je zien wat mijn favoriete sporten zijn. Ik houd van voetbal en schaatsen. Daarnaast kijk ik graag naar Formule 1.


Slide 13 - Slide

Verbanden / signaalwoorden
Aan de posters op mijn kamer kun je zien wat mijn favoriete sporten zijn. Ik houd van voetbal en schaatsen. Daarnaast kijk ik graag naar Formule 1.

Opsommend


Slide 14 - Slide

Hoofd- en bijzaken
Wat weten we van hoofdzaken en bijzaken?

Slide 15 - Slide

Hoofd- en bijzaken
De belangrijkste informatie in een tekst noemen we de hoofdzaken. Wat minder belangrijk is, zoals een anekdote, een toelichting (voorbeeld) of een vergelijking, zijn de bijzaken.

De hoofdzaken vind je vaak in de inleiding en het slot van een tekst en het begin of het einde van een alinea.
De zin die de hoofdzaak van een alinea bevat, is de kernzin

Slide 16 - Slide

Feit, mening, standpunt en argument

Een feit is een uitspraak over iets wat waar of onwaar is. Je kunt een feit controleren.
Een mening of standpunt is iets wat iemand vindt. Je kunt het daarmee eens of oneens zijn. Je kunt een mening vaak herkennen aan signaalwoorden als ik vind en volgens mij.

Slide 17 - Slide

Voorbeeld
Ik vind duurzaam reizen erg belangrijk, want op die manier help je mee aan het verbeteren van het klimaat en bescherm je het leven op aarde.

Wat is de mening/het standpunt?
Wat is het argument?


Slide 18 - Slide

Voorbeeld
Mening/standpunt: Ik vind duurzaam reizen erg belangrijk.

Argument: Op die manier help je mee aan het verbeteren van het klimaat en bescherm je het leven op aarde.


Slide 19 - Slide

Signaalwoorden argumentatie
  • omdat, daarom, dus, om die reden
  • doordat, daardoor, waardoor, zodat
  • met het doel dat, om te, opdat, teneinde, waartoe
  • want, namelijk, immers
  • zodat, met het gevolg dat, ten gevolge van
  • kortom
  • dat heeft geleid tot


Slide 20 - Slide

Vragen?
Zijn er nog vragen over deze theorie?

Nalezen of kijken kan in Teams, waar een aantal documenten staan met uitleg over deze onderdelen.


Slide 21 - Slide

Opdrachten
  • Ga nu zelfstandig aan de slag met de opdrachten die horen bij deze onderdelen van begrijpend lezen.
  • Ben je klaar? Dan kun je aan de slag met de opdrachten van Trede 14 in de portal of met Numo.
  • De laatste 5 minuten voor het einde van de les zet ik de antwoorden op het bord, zodat je de opgaven kunt nakijken.

Slide 22 - Slide