EX17_Productiefactoren en indexcijfers

Productiefactoren en indexcijfers
1 / 16
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Productiefactoren en indexcijfers

Slide 1 - Slide

Productiecapaciteit
Het bbp wordt bepaald door de bestedingen (vraagkant) en de structuur van de economie (aanbodkant).

De productiecapaciteit geeft aan wat er maximaal geproduceerd kan worden. 

Slide 2 - Slide

Productiecapaciteit
De omvang en groei van de reële productie, ook wel volume van de productie genoemd op lange termijn wordt bepaald door de kwantiteit en kwaliteit van de productiefactoren arbeid, natuur, kapitaal en ondernemerschap.

Slide 3 - Slide

VANAFHIER VERDER

Slide 4 - Slide

Externe effecten 
Gevolgen van productie en/ of consumptie voor de welvaart van anderen, die niet in de prijs zijn doorberekend.
Ontbossing
Plastic zwerfafval
Geuroverlast door veehouderij
Stijgende omzet door toerisme

Slide 5 - Slide

Externe effecten: overheid grijpt in
  • Belasting heffen 
  • Accijns betalen (profijtbeginsel)

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Wat is het effect van het overheidsingrijpen?

Door belasting te heffen wordt het inkomen van de consument lager. In hoeverre Qv daalt als P stijgt, hangt af van de inkomenselasticiteit van de vraag.

Slide 9 - Slide

Wat is het effect van het overheidsingrijpen?

Door belasting te heffen wordt het inkomen van de consument lager. In hoeverre Qv daalt als P stijgt, hangt af van de inkomenselasticiteit van de vraag.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Volkomen inelastisch is een elasticiteit van 0
A
waar
B
niet waar

Slide 12 - Quiz

De waarde van een prijselasticiteit (Ev) is -0,2. Deze elasticiteit is
A
inelastisch
B
elastisch

Slide 13 - Quiz

Met behulp van welke elasticiteit kun je inferieure goederen herkennen?
A
Prijselasticiteit van de vraag
B
Inkomenselasticiteit
C
Kruislingse elasticiteit

Slide 14 - Quiz

Gegeven is de volgende vraagfunctie Qv= 20P + 400, de prijs stijgt van 5 naar 7.
De prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid is..
A
0,13
B
-0,33
C
0,2
D
-0,4

Slide 15 - Quiz

Door een prijsstijging van 12% vermindert de vraag naar treinreizen van 500.000 naar 480.000.
I: Door de prijsstijging daalt de omzet van treinreizen
II: De vraag naar treinreizen is prijselastisch
A
Beide juist
B
I juist, II onjuist
C
I onjuist, II juist
D
Beide onjuist

Slide 16 - Quiz