This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Productiefactoren en indexcijfers
Slide 1 - Slide
Productiecapaciteit
Het bbp wordt bepaald door de bestedingen (vraagkant) en de structuur van de economie (aanbodkant).
De productiecapaciteit geeft aan wat er maximaal geproduceerd kan worden.
Slide 2 - Slide
Productiecapaciteit
De omvang en groei van de reële productie, ook wel volume van de productie genoemd op lange termijn wordt bepaald door de kwantiteit en kwaliteit van de productiefactoren arbeid, natuur, kapitaal en ondernemerschap.
Slide 3 - Slide
VANAFHIER VERDER
Slide 4 - Slide
Externe effecten
Gevolgen van productie en/ of consumptie voor de welvaart van anderen, die niet in de prijs zijn doorberekend.
Ontbossing
Plastic zwerfafval
Geuroverlast door veehouderij
Stijgende omzet door toerisme
Slide 5 - Slide
Externe effecten: overheid grijpt in
Belasting heffen
Accijns betalen (profijtbeginsel)
Slide 6 - Slide
Slide 7 - Slide
Slide 8 - Slide
Wat is het effect van het overheidsingrijpen?
Door belasting te heffen wordt het inkomen van de consument lager. In hoeverre Qv daalt als P stijgt, hangt af van de inkomenselasticiteit van de vraag.
Slide 9 - Slide
Wat is het effect van het overheidsingrijpen?
Door belasting te heffen wordt het inkomen van de consument lager. In hoeverre Qv daalt als P stijgt, hangt af van de inkomenselasticiteit van de vraag.
Slide 10 - Slide
Slide 11 - Slide
Volkomen inelastisch is een elasticiteit van 0
A
waar
B
niet waar
Slide 12 - Quiz
De waarde van een prijselasticiteit (Ev) is -0,2. Deze elasticiteit is
A
inelastisch
B
elastisch
Slide 13 - Quiz
Met behulp van welke elasticiteit kun je inferieure goederen herkennen?
A
Prijselasticiteit van de vraag
B
Inkomenselasticiteit
C
Kruislingse elasticiteit
Slide 14 - Quiz
Gegeven is de volgende vraagfunctie Qv= 20P + 400, de prijs stijgt van 5 naar 7. De prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid is..
A
0,13
B
-0,33
C
0,2
D
-0,4
Slide 15 - Quiz
Door een prijsstijging van 12% vermindert de vraag naar treinreizen van 500.000 naar 480.000. I: Door de prijsstijging daalt de omzet van treinreizen II: De vraag naar treinreizen is prijselastisch