What is LessonUp
Search
Channels
Log in
Register
‹
Return to search
Hoofdstuk 8 & 9
Miércoles 24 de marzo
H8 En el aeropuerto
1 / 105
next
Slide 1:
Slide
Spaans
MBO
Studiejaar 2
This lesson contains
105 slides
, with
interactive quizzes
,
text slides
and
4 videos
.
Start lesson
Save
Share
Print lesson
Items in this lesson
Miércoles 24 de marzo
H8 En el aeropuerto
Slide 1 - Slide
In dit hoofdstuk leer je:
Het aanwijzend voornaamwoord
Hoe je kunt vertellen wat iemand aan het doen is
Slide 2 - Slide
Slide 3 - Video
Aanwijzend voornaamwoord in het Spaans.
mnl. e.v.
vr. e.v.
mnl. m.v.
vr. m.v.
Dichtbij de spreker este esta estos estas
(dit/deze hier)
Verder weg van spreker ese esa esos esas
(dat/die daar)
Esto/eso verwijst naar iets wat niet concreet genoemd wordt:
¿Qué es esto?
Slide 4 - Slide
Aanwijzend voornaamwoord
deze/dit este / esta / estos / estas
die/dat (bij jou) ese / esa / esos / esas
die/dat (verder) aquel / aquella / aquellos / aquellas
zelfstandig gebruikt: esto / eso / aquello
Slide 5 - Slide
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Deze boeken zijn van mij. = ____ libros son míos.
A
estos
B
estes
C
esas
D
esos
Slide 6 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Die winkel is erg duur. = _____ tienda es muy cara.
A
ese
B
esa
C
este
D
esta
Slide 7 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Die fietsen zijn blauw. = ____ bicicletas son azules.
A
estos
B
estas
C
esas
D
esos
Slide 8 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Deze tafel is vrij = ______ mesa está libre.
A
Ese
B
Este
C
Esa
D
Esta
Slide 9 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Dat meisje is knap. = ____ chica es guapa.
A
esa
B
ese
C
esta
D
este
Slide 10 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Deze docente is erg goed. = ____ profesora es muy buena.
A
este
B
ese
C
esta
D
esa
Slide 11 - Quiz
¡Bienvenidos a la clase de español!
Slide 12 - Slide
In dit hoofdstuk leer je:
Het aanwijzend voornaamwoord
Hoe je kunt vertellen wat iemand aan het doen is
Slide 13 - Slide
Aanwijzend voornaamwoord
deze/dit este / esta / estos / estas
die/dat (bij jou) ese / esa / esos / esas
die/dat (verder) aquel / aquella / aquellos / aquellas
zelfstandig gebruikt: esto / eso / aquello
Slide 14 - Slide
Slide 15 - Slide
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Deze boeken zijn van mij. = ____ libros son míos.
A
estos
B
estes
C
esas
D
esos
Slide 16 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Die winkel is erg duur. = _____ tienda es muy cara.
A
ese
B
esa
C
este
D
esta
Slide 17 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Die fietsen zijn blauw. = ____ bicicletas son azules.
A
estos
B
estas
C
esas
D
esos
Slide 18 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Deze tafel is vrij = ______ mesa está libre.
A
Ese
B
Este
C
Esa
D
Esta
Slide 19 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Dat meisje is knap. = ____ chica es guapa.
A
esa
B
ese
C
esta
D
este
Slide 20 - Quiz
Kies het juiste aanwijzende voornaamwoord.
Deze docente is erg goed. = ____ profesora es muy buena.
A
este
B
ese
C
esta
D
esa
Slide 21 - Quiz
Deze koffer is klein
Slide 22 - Open question
Die vliegtuigen zijn groot
Slide 23 - Open question
Die balie is van Iberia
Slide 24 - Open question
Deze stewardess is aardig
Slide 25 - Open question
Deze vlucht gaat naar Londen
Slide 26 - Open question
Deze passagiers gaan naar huis
Slide 27 - Open question
8.16 Gerundio
Slide 28 - Slide
Estar + gerundio
Slide 29 - Slide
Slide 30 - Slide
¡Bienvenidos a la clase de español!
Slide 31 - Slide
Estar + gerundio
Slide 32 - Slide
Vervoeg in de GERUNDIO
Ustedes (escuchar) ______ una canción.
Slide 33 - Open question
vervoeg in de GERUNDIO
Vosotros (vivir) ___ ___ en Valencia.
Slide 34 - Open question
Vervoeg in de GERUNDIO
Yo (eten) ___ __ una pizza.
Slide 35 - Open question
vervoeg in de GERUNDIO
Laura (buscar) ___ ___ su libro.
Slide 36 - Open question
Vervoeg in de GERUNDIO
Las chicas (escribir) __ __ una carta.
Slide 37 - Open question
Vervoeg in de GERUNDIO
Nosotros (caminar) __ __ en la playa.
Slide 38 - Open question
Vervoeg in de GERUNDIO
Yo (comer) ___ __ una pizza.
Slide 39 - Open question
Vervoeg in de GERUNDIO
Ustedes (luisteren) ______ una canción.
Slide 40 - Open question
vervoeg in de GERUNDIO
Mi padre (hablar) __ __ por teléfono.
Slide 41 - Open question
Vervoeg in de GERUNDIO
¿Tu (aprender) ____ ____ mucho en la clase?
Slide 42 - Open question
Martes 18 de mayo
Hoofdstuk 9
Vamos de viaje
In dit hoofdstuk leer je:
Hoe je kunt vertellen wat je gedaan hebt/waar je geweest bent
Praten over het weer en kledingstukken
Hoe je een aansichtkaart kunt schrijven
Slide 43 - Slide
Slide 44 - Slide
Slide 45 - Video
Martes 25 de mayo
Herhaling presente perfecto
Gebruik van presente perfecto
9.05
El tiempo-Het weer
9.10-9.13
Slide 46 - Slide
Pretérito perfecto
Het Spaans kent
1 hulpwerkwoord
voor de v.t.t. -->
haber
yo
he
tú
has
Voltooid deelwoord:
él/ella/usted
ha
trabajar --> trabaj
ado
nosotros/as
hemos
comer --> com
ido
vosotros/as
habéis
vivir --> viv
ido
ellos/as/ustedes
han
Slide 47 - Slide
haber (yo)
Slide 48 - Mind map
haber (vosotros)
Slide 49 - Mind map
haber (ellos, ellas, ustedes)
Slide 50 - Mind map
Ustedes_____________reservado
A
han
B
hemos
Slide 51 - Quiz
El autobús_________llegado al hotel
A
ha
B
he
Slide 52 - Quiz
María y tú _______bebido café
A
hemos
B
habéis
Slide 53 - Quiz
El avión _______salido a tiempo
A
ha
B
han
Slide 54 - Quiz
tomar
Slide 55 - Mind map
reservar
Slide 56 - Mind map
organizar
Slide 57 - Mind map
salir
Slide 58 - Mind map
hablar
Slide 59 - Mind map
llamar
Slide 60 - Mind map
decidir
Slide 61 - Mind map
ir
Slide 62 - Mind map
vivir
Slide 63 - Mind map
In het Spaans blijven het hulpwerkwoord+het voltooid deelwoord bij elkaar staan.
Ik heb
met Pablo
gesproken
He hablado
con Pablo
Slide 64 - Slide
¿Usted ha reservado?
Slide 65 - Open question
We hebben een reis geboekt
Slide 66 - Open question
De toeristen hebben het museum bezocht
Slide 67 - Open question
Ik heb de trein genomen
Slide 68 - Open question
Fernando heeft een activiteit georganiseerd
Slide 69 - Open question
Wanneer gebruik je de presente perfecto?
De presente perfecto gebruik je als je wilt vertellen wat er:
vandaag-hoy
deze week-esta semana
deze zomer-este verano (niet) gebeurd is
deze maand-este mes
dit jaar-este año
tot nu toe -alguna vez
Slide 70 - Slide
Slide 71 - Video
Zelfstandig aan de slag
9.10
9.11
9.12
9.13
Slide 72 - Slide
¡Bienvenidos a la clase de español!
Slide 73 - Slide
Martes 8 de junio
la ropa
los colores
Slide 74 - Slide
los colores
Slide 75 - Mind map
la ropa
Slide 76 - Mind map
marcas de ropa
Slide 77 - Mind map
Opdrachten
9.17
9.18
Slide 78 - Slide
¡Bienvenidos a la clase de español!
Slide 79 - Slide
15 de septiembre 2021
Spaans leerjaar 3
Niveau A2
Slide 80 - Slide
Pretérito perfecto
Het Spaans kent
1 hulpwerkwoord
voor de v.t.t. -->
haber
yo
he
tú
has
Voltooid deelwoord:
él/ella/usted
ha
trabajar --> trabaj
ado
nosotros/as
hemos
comer --> com
ido
vosotros/as
habéis
vivir --> viv
ido
ellos/as/ustedes
han
Slide 81 - Slide
haber (yo)
Slide 82 - Mind map
haber (vosotros)
Slide 83 - Mind map
haber (ellos, ellas, ustedes)
Slide 84 - Mind map
Ustedes_____________reservado
A
han
B
hemos
Slide 85 - Quiz
El autobús_________llegado al hotel
A
ha
B
he
Slide 86 - Quiz
María y tú _______bebido café
A
hemos
B
habéis
Slide 87 - Quiz
El avión _______salido a tiempo
A
ha
B
han
Slide 88 - Quiz
tomar
Slide 89 - Mind map
reservar
Slide 90 - Mind map
organizar
Slide 91 - Mind map
salir
Slide 92 - Mind map
hablar
Slide 93 - Mind map
llamar
Slide 94 - Mind map
decidir
Slide 95 - Mind map
ir
Slide 96 - Mind map
vivir
Slide 97 - Mind map
In het Spaans blijven het hulpwerkwoord+het voltooid deelwoord bij elkaar staan.
Ik heb
met Pablo
gesproken
He hablado
con Pablo
Slide 98 - Slide
¿Usted ha reservado?
Slide 99 - Open question
We hebben een reis geboekt
Slide 100 - Open question
De toeristen hebben het museum bezocht
Slide 101 - Open question
Ik heb de trein genomen
Slide 102 - Open question
Fernando heeft een activiteit georganiseerd
Slide 103 - Open question
Wanneer gebruik je de presente perfecto?
De presente perfecto gebruik je als je wilt vertellen wat er:
vandaag-hoy
deze week-esta semana
deze zomer-este verano (niet) gebeurd is
deze maand-este mes
dit jaar-este año
tot nu toe -alguna vez
Slide 104 - Slide
Slide 105 - Video
More lessons like this
Excellentie HH 2 futuro, presente perfecto, ser estar hay
May 2022
- Lesson with
38 slides
Spaans
Middelbare school
vwo
Leerjaar 1
Up3: herhaling toetsstof
December 2022
- Lesson with
26 slides
Spaans
Middelbare school
mavo, havo
Leerjaar 3
Repaso Unidad 9 (2)
January 2022
- Lesson with
29 slides
Spaans
Beroepsopleiding
perfecto + AANWIJZEND VNW, SPEC WW + BEZITTELIJKE VNW, SER, ESTAR+HAY
March 2023
- Lesson with
52 slides
Spaans
Middelbare school
havo
Leerjaar 2
week 14 - diagnóstico
10 days ago
- Lesson with
41 slides
Spaans
Middelbare school
vwo
Leerjaar 3
Aanwijzend voornaamwoorden 22-23
December 2022
- Lesson with
14 slides
Spaans
Middelbare school
mavo, havo, vwo
Leerjaar 2
3V - les 34 - STG
December 2021
- Lesson with
12 slides
Spaans
Middelbare school
havo
Leerjaar 3
AANWIJZEND VOORNAAMWOORD
September 2021
- Lesson with
20 slides
Spaans
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 3