Quiz- Verlichting en Revolutie

Quiz- 
Verlichting en Revolutie
1 / 25
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Quiz- 
Verlichting en Revolutie

Slide 1 - Slide

Wat was de bijnaam van Lodewijk XIV?

A
a) De Grote
B
b) De Zonnekoning
C
c) De Keizer van Europa
D
d) De Vader des Vaderlands

Slide 2 - Quiz

Waar liet Lodewijk XIV zijn beroemde paleis bouwen?

A
a) Parijs
B
b) Versailles
C
c) Lyon
D
d) Marseille

Slide 3 - Quiz

Wat betekent het begrip ‘absolutisme’?

A
a) Een koning heeft alle macht en regeert zonder inspraak van anderen
B
b) Een regering waarin de koning samenwerkt met het parlement
C
c) Een samenleving waarin iedereen gelijk is
D
d) Een bestuursvorm waarin de paus de meeste macht heeft

Slide 4 - Quiz

Hoe probeerde Lodewijk XIV zijn macht te versterken?

A
a) Door het parlement meer invloed te geven
B
b) Door edelen belangrijke functies in het leger en bestuur te geven
C
c) Door alle belastingen af te schaffen
D
d) Door zijn macht te delen met de kerk

Slide 5 - Quiz

Wie waren de hugenoten en wat gebeurde er met hen tijdens de regering van Lodewijk XIV?
A
a) Franse protestanten die door het Edict van Nantes volledige godsdienstvrijheid kregen
B
b) Franse protestanten die hun geloof mochten behouden en belangrijke posities in het bestuur kregen
C
c) Franse protestanten die door Lodewijk XIV werden vervolgd en massaal uit Frankrijk vluchtten na de herroeping van het Edict van Nantes
D
d) Katholieke edelen die loyaal waren aan Lodewijk XIV en een bevoorrechte positie kregen

Slide 6 - Quiz

Wat was het doel van de Verlichting?

A
a) Meer macht voor de kerk
B
b) Het bevorderen van wetenschappelijk denken en vrijheid
C
c) Teruggaan naar de Middeleeuwen
D
d) Het versterken van de macht van de koning

Slide 7 - Quiz

Welke filosoof pleitte voor een scheiding van de machten?

A
a) Voltaire
B
b) Montesquieu
C
c) Rousseau
D
d) Locke

Slide 8 - Quiz

Wat bedoelde Rousseau met het ‘sociaal contract’?

A
a) Een contract tussen landen om oorlog te voorkomen
B
b) Een overeenkomst waarin burgers macht afstaan aan de regering in ruil voor bescherming
C
c) Een verdrag tussen koning en paus
D
d) Een contract waarin edelen belastingvrijstelling kregen

Slide 9 - Quiz

Waarom was de kerk vaak tegen de ideeën van de Verlichting?

A
a) Omdat de Verlichting de macht van de kerk wilde versterken
B
b) Omdat verlichte denkers religieuze dogma’s in twijfel trokken
C
c) Omdat de kerk altijd voor wetenschappelijke vooruitgang was
D
d) Omdat de kerk meer invloed kreeg door de Verlichting

Slide 10 - Quiz

Wat wordt bedoeld met het ‘Ancien Régime’?

A
a) De periode na de Franse Revolutie
B
b) De tijd waarin Frankrijk een republiek was
C
c) De oude samenleving waarin de koning en de adel de macht hadden
D
d) Het bestuur van Napoleon

Slide 11 - Quiz

Bij welke stand hoort een koopman?
A
eerste stand
B
tweede stand
C
derde stand
D
geen stand

Slide 12 - Quiz

Bij welke stand hoort een hertog?
A
eerste stand
B
tweede stand
C
derde stand
D
geen stand

Slide 13 - Quiz


A
eerste stand
B
tweede stand
C
derde stand
D
tweede en derde stand

Slide 14 - Quiz

Hoe was de Franse samenleving verdeeld tijdens het Ancien Régime?

A
a) In rangen van het leger
B
b) In drie standen: geestelijkheid, adel en burgers/boeren
C
c) In vier standen: koningen, edelen, geestelijken en boeren
D
d) In twee klassen: rijken en armen

Slide 15 - Quiz

Waarom waren veel burgers en boeren ontevreden over het Ancien Régime?

A
a) Omdat ze weinig belasting hoefden te betalen
B
b) Omdat de geestelijkheid en adel veel privileges hadden
C
c) Omdat ze de koning te weinig macht vonden hebben
D
d) Omdat iedereen evenveel rechten had

Slide 16 - Quiz

In welk jaar begon de Franse Revolutie?

A
a) 1600
B
b) 1750
C
c) 1789
D
d) 1815

Slide 17 - Quiz


A
Eed op de Kaatsbaan
B
bestorming Bastille
C
de Terreur
D
Versailles

Slide 18 - Quiz

Wat was de Bastille en waarom werd deze bestormd?

A
a) Een gevangenis die als symbool van de koninklijke onderdrukking werd gezien
B
b) Het paleis van de koning, dat werd bestormd om hem af te zetten
C
c) Een kerk waar revolutionairen hun plannen bespraken
D
d) Een wapendepot waar Napoleon zijn eerste slag won

Slide 19 - Quiz


A
Eed op de Kaatsbaan
B
bestorming Batille
C
de Terreur
D
Versailles

Slide 20 - Quiz

Hoe kwam Napoleon aan de macht in Frankrijk?

A
a) Hij werd verkozen door het parlement
B
b) Hij pleegde een staatsgreep in 1799
C
c) Hij werd koning na de dood van Lodewijk XVI
D
d) Hij werd benoemd door de paus

Slide 21 - Quiz

Hoe gebruikte Napoleon kunst als propaganda en met welk doel?
A
Hij liet schilderijen en standbeelden maken waarin hij werd afgebeeld als een machtige en succesvolle leider om zijn imago te versterken.
B
Hij verbood kunst en literatuur om de bevolking te laten focussen op militaire successen.
C
Hij gebruikte alleen mondelinge toespraken om zijn ideeën te verspreiden en kunst speelde geen rol in zijn propaganda.
D
Hij liet uitsluitend religieuze kunst maken om zijn band met de kerk te versterken.

Slide 22 - Quiz

Welke hervorming voerde Napoleon door die nog steeds invloed heeft?

A
a) De Code Napoléon, een nieuw wetboek
B
b) De afschaffing van geld
C
b) De afschaffing van geld
D
d) De bouw van Versailles

Slide 23 - Quiz

Welke veldslag betekende het definitieve einde van Napoleon?

A
a) De slag bij Austerlitz
B
b) De slag bij Leipzig
C
c) De slag bij Waterloo
D
d) De slag bij Wenen

Slide 24 - Quiz

Uit welk land komt het snoepje Napoleon oorspronkelijk?
A
a) Frankrijk
B
b) Nederland
C
c) België
D
d) Duitsland

Slide 25 - Quiz