Emoties

H4: Emoties








Leerkracht: Janne Houben 
Vak: Gedragswetenschappen 2de graad
Academiejaar: 2024-2025
1 / 22
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

H4: Emoties








Leerkracht: Janne Houben 
Vak: Gedragswetenschappen 2de graad
Academiejaar: 2024-2025

Slide 1 - Slide

Lesdoelen
 1. De leerling legt het begrip emotie uit. 

 2. De leerling benoemt en beschrijft de drie componenten van emoties: cognitieve, fysiologische en gedragscomponent. 

3. De leerling herkent de drie componenten van emoties cognitieve, fysiologische en gedragscomponent in een gesimuleerde of echte situatie. 

4. De leerling kan voorbeelden geven over de drie componenten van emoties cognitieve, fysiologische en gedragscomponent in een gesimuleerde of echte situatie. 

 5. De leerling analyseert de samenwerking tussen de cognitieve, fysiologische en gedragsmatige component in een gesimuleerde of echte situatie.

Slide 2 - Slide

Lesinhoud
1. Definitie emoties (herhaling)
2. Drie componenten van emoties
- Fysiologische component
- Cognitieve component
- Gedragscomponent
3. Samenwerking drie componenten


Slide 3 - Slide

Welke emoties ken je?

Slide 4 - Mind map

Definitie emotie
Een emotie is een kortdurende en intense reactie op een prikkel die we belangrijk vinden.
=> prikkel in heden en/of verleden

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

Oefening per twee
Instructie: 
Denk na over wat jou blij, boos, bang en verdrietig maakt. 
Zoek minstens één voorbeeld. 
Noteer in je werkboek pagina 4. 
Bespreek dit met je naaste buur. 


Slide 7 - Slide

3 componenten van emoties
Instructie: 
Zo dadelijk gaan jullie een filmpje bekijken. 
Wanneer het filmpje gedaan is, 
bespreek je in groepjes van vier de volgende vragen: 

- Wat zou hij/zij denken en voelen?
- Hoe reageert hij/zij? Wat doet hij/zij?
- Wat gebeurt er in zijn/haar lichaam? 

Slide 8 - Slide

Drie componenten van emoties
1. Fysiologische component : lichaam
2. Cognitieve component : gedachten en gevoelens
3. Gedragscomponent : expressie

Slide 9 - Slide

Fysiologische component
Het lichaam

Bij emoties horen ook lichamelijke veranderingen, die door je zenuwstelsel in gang worden gezet. Zo zorgen bepaalde emoties ervoor dat je hartslag en ademhaling versnellen of vertragen, dat je bloeddruk hoger of lager wordt … Dat leidt tot waarneembare reacties als zweten, blozen, kippenvel en huilen. De mate waarin je zenuwstelsel actief is, wordt ook wel arousal genoemd.

Slide 10 - Slide

Cognitieve component
Gedachten en gevoelens

De cognitieve component bestaat uit gedachten, een gevoel en een beoordeling van de situatie. Je merkt bijvoorbeeld een grommende hond op, schat de situatie in als gevaarlijk en ervaart een onprettig gevoel.


Slide 11 - Slide

Gedragscomponent
Expressie

Emoties lokken gedrag uit. Sommige emoties uiten zich via een heel herkenbare gezichtsuitdrukking. Ook via andere vormen van lichaamstaal tonen we onze emoties: roepen als je bang bent, je vuisten ballen als je boos bent, juichen van blijdschap …


Slide 12 - Slide

Opdracht componenten
Instructie: 

Neem je werkboek pagina... 
Werk de drie componenten van emoties uit in de volgende situaties. 
Werk per twee met je naaste buur. 

1. Je team wint bij het volleyballen.
2. Een vriendin vertelt roddels over je.
3.  ziet voor het eerst je pasgeboren nichtje, die je met grote ogen aanstaart.
4. De leerkracht betrapt je op spieken. Daarom krijg je een 0 op de toets.

Slide 13 - Slide

Samenwerking componenten
Instructie: 
Maak groepjes van vier leerlingen. 
Trek om de beurt een situatiekaartje. 

1. Beeld de situatie uit. De andere groepsleden raden welke emotie er wordt nagespeeld. 

2. Beantwoord de volgende vragen in je groep over deze situatie. Beeld je in dat je zelf in deze situatie zit.  

Fysiologische component: Wat gebeurt er in je lichaam?
Cognitieve component: Welke gedachten komen in je op? Hoe beoordeel je de situatie? Wat voel je? 
Gedragscomponent: Hoe reageer je? Welke gezichtsuitdrukking of lichaamstaal toon je? 

Slide 14 - Slide

Wat hebben we vandaag geleerd? 
Een emotie is een kortdurende en intense reactie op een prikkel die we belangrijk vinden => prikkel in heden en/of verleden. 

Drie componenten die samenwerken: 

1. Fysiologische component : lichaam
2. Cognitieve component : gedachten en gevoelens
3. Gedragscomponent : expressie

Slide 15 - Slide

Welke drie componenten zijn van belang bij emoties?
A
Cognitief, gedragsmatig en sociaal
B
Fysiologisch, cognitief en gedragsmatig
C
Psychologisch, lichamelijk en cognitief
D
Gedragsmatig, psychologisch en fysiologisch

Slide 16 - Quiz

Je moet een presentatie geven in de klas.
Welke component hoort bij “Ik voel zenuwen in mijn buik en mijn handen zweten”?
A
Fysiologische component
B
Cognitieve component
C
Gedragsmatige component

Slide 17 - Quiz

Je moet een presentatie geven in de klas.
Welke component hoort bij “Ik probeer kalm te blijven en begin toch te praten”?
A
Fysiologische component
B
Cognitieve component
C
Gedragsmatige component

Slide 18 - Quiz

Je moet een presentatie geven in de klas.
Welke component hoort bij “Ik denk dat iedereen mij zal uitlachen als ik een fout maak”?
A
Fysiologische component
B
Cognitieve component
C
Gedragsmatige component

Slide 19 - Quiz

Wat is een voorbeeld van een fysiologische reactie op angst?
A
Je loopt weg
B
Je krijgt een versnelde hartslag en begint te zweten
C
Je zegt dat je niet bang bent
D
Je denkt: 'Dit gaat mis!'

Slide 20 - Quiz

Welke van de volgende situaties is een voorbeeld van de cognitieve component van een emotie?

A
Je hart begint sneller te kloppen wanneer je zenuwachtig bent.
B
Je denkt: “Ik ga falen op deze toets en iedereen zal mij uitlachen.”
C
Je begint te huilen wanneer je slecht nieuws krijgt.
D
Je verstijft van angst wanneer je een enge hond ziet.

Slide 21 - Quiz

Welke van de volgende reacties is een voorbeeld van de gedragsmatige component van woede?

A
Versnelde ademhaling
B
De gedachte: “Dit is oneerlijk!”
C
Je stem verheffen en met je hand op tafel slaan
D
Buikpijn krijgen

Slide 22 - Quiz