klas 2 Wat weten jullie nog?

Cito
Binnenkort krijgen jullie de Cito-toets.
Hiervoor hoef je niet te leren. 
Laten we kijken wat jullie nog weten.
1 / 45
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Cito
Binnenkort krijgen jullie de Cito-toets.
Hiervoor hoef je niet te leren. 
Laten we kijken wat jullie nog weten.

Slide 1 - Slide

De bakker bakt een brood
bakt =
A
onderwerp
B
persoonsvorm
C
gezegde
D
lijdend voorwerp

Slide 2 - Quiz

Mijn zusje heeft een euro gestolen.
Mijn zusje =
A
onderwerp
B
persoonsvorm
C
gezegde
D
lijdend voorwerp

Slide 3 - Quiz

Schrijf jij nog altijd zulke mooie verhalen?
zulke mooie verhalen =
A
onderwerp
B
persoonsvorm
C
gezegde
D
lijdend voorwerp

Slide 4 - Quiz

Wanneer mag je moeder weer naar huis?
mag =
A
onderwerp
B
persoonsvorm
C
gezegde
D
lijdend voorwerp

Slide 5 - Quiz

Spelling werkwoord
Hij .................... iedere dag 10 kilometer
A
loopdt
B
lopt
C
loopt
D
loopd

Slide 6 - Quiz

............. jij ook zo blij van de zon?
A
Word
B
Woord
C
Wordt
D
Wort

Slide 7 - Quiz

Je ................... het antwoord in de tekst.
A
vint
B
vind
C
vindt
D
find

Slide 8 - Quiz

De kleuter ................. de zandtaartjes.
A
verdeeld
B
verdeelt
C
verdeeldt
D
verdeel

Slide 9 - Quiz

Werkwoordspelling verleden tijd.
De jongens .............. naar hun coach.
A
rende
B
renden
C
rente
D
renten

Slide 10 - Quiz

Het vliegtuig ................ twee uur te laat.
A
lande
B
landen
C
landden
D
landde

Slide 11 - Quiz

Mijn buren ........................ naar Nijker.
A
verhuiste
B
verhuisde
C
verhuisten
D
verhuisden

Slide 12 - Quiz

Het kleine meisje ........... haar pop in de wieg.
A
legte
B
legten
C
legde
D
legden

Slide 13 - Quiz

De kinderen .................. om de clown.
A
lachde
B
lachte
C
lachden
D
lachten

Slide 14 - Quiz

Welk woord past in de zin?
Ik heb ........... oma lang niet gezien.
A
me
B
m'n
C
mijn
D
mij

Slide 15 - Quiz

Hij heeft .......... eigen mobiel kapot gemaakt.
A
ze
B
me
C
zijn
D
mijn

Slide 16 - Quiz

Wanneer geef je .................. boek terug
A
me
B
mijn
C
m'n
D
ze

Slide 17 - Quiz

................ moeder is altijd te laat.
A
me
B
m'n
C
mijn
D
ze

Slide 18 - Quiz

Ze of hun?
........... hebben .............. boek vergeten
A
hun + hun
B
ze + ze
C
ze + hun
D
hun + ze

Slide 19 - Quiz

............. geven voor ............. vrienden een groot feest.
A
hun + hun
B
hun + ze
C
ze + ze
D
ze + hun

Slide 20 - Quiz

Ik heeft ............. straks ............... fiets terug.
A
jou + jouw
B
jij + je
C
jou + jou
D
je + jou

Slide 21 - Quiz

.......... vriend heeft ................ bedrogen.
A
je + jou
B
jouw + jouw
C
jou + jou
D
je + jouw

Slide 22 - Quiz

Welk rijtje klopt
A
ik begeleid, hij begeleid, wij dreigen
B
ik begeleid, hij begeleidt, wij begeleidden
C
ik begeleid, hij begeleidt, wij begeleiden
D
ik begeleidt, hij begeleidt, wij begeleiden

Slide 23 - Quiz

Zelfstandig naamwoord

Slide 24 - Mind map

werkwoord

Slide 25 - Mind map

lidwoord

Slide 26 - Mind map

bijvoeglijk naamwoord

Slide 27 - Mind map

voorzetsel

Slide 28 - Mind map

De lucht is prachtig blauw.
lucht = een
A
lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 29 - Quiz

De dikke kat slaapt de hele dag.
dikke =
A
zelfstandig naamwoord
B
voorzetsel
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 30 - Quiz

Er vliegt een wesp in het lokaal.

een =
A
zelfstandig naamwoord
B
werkwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
lidwoord

Slide 31 - Quiz

De bange hond kruipt onder de tafel.

onder =
A
zelfstandig naamwoord
B
voorzetsel
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 32 - Quiz

Het jongetjes is altijd bang.

is =
A
zelfstandig naamwoord
B
werkwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
voorzetsel

Slide 33 - Quiz

Heeft zij haar toets goed gemaakt?
heeft =
A
zelfstandig naamwoord
B
voorzetsel
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 34 - Quiz

In mijn rugzak zitten mijn boeken, pennen, boterhammen en kauwgom.
In deze zin staan ..... zelfstandige naamwoorden.
A
2
B
4
C
3
D
5

Slide 35 - Quiz

Vul in:
Hij is groter ........ mijn vader.
A
als
B
als en dan kan allebei
C
dan
D
als en dan is beide fout

Slide 36 - Quiz

Ik hou meer van jou ......... van mijn ouders.
A
als
B
als en dan is beide fout
C
dan
D
als en dan kan allebei

Slide 37 - Quiz

Max Verstappen is 2 keer zo snel ........ zijn tegenstanders.
A
als
B
als en dan kan allebei
C
dan
D
als en dan is allebei fout

Slide 38 - Quiz

Dit shirtje is net zo duur ........... dat van de H&M.
A
als
B
beide fout
C
dan
D
beide goed

Slide 39 - Quiz

Mijn hond is groter ...... die van jou, maar even groot ..... die van de buren.
A
als + als
B
dan + dan
C
als + dan
D
dan + als

Slide 40 - Quiz

hoofdletters

Slide 41 - Mind map

Welke woorden moeten met hoofdletter?
het konijn houdt van brussels lof
A
het
B
het = lof
C
het + konijn
D
het + brussels

Slide 42 - Quiz

amerika heeft momenteel minder coronabesmettingen dan europa.
A
amerika
B
amerika en europa
C
amerika en coronabesmettingen
D
europa

Slide 43 - Quiz

houd jij ook van franse kaas?
A
houd
B
houd + franse + kaas
C
houd + kaas
D
houd + franse

Slide 44 - Quiz

zij vroeg: ga je mee naar amsterdam
A
zij
B
zij + ga + amsterdam
C
zij + amsterdam
D
zij + ga

Slide 45 - Quiz