Taalverzorging 2 | herhalingsles

Taalverzorging 2 | herhalingsles


Donderdag 13 maart
1 / 48
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Taalverzorging 2 | herhalingsles


Donderdag 13 maart

Slide 1 - Slide

Planning voor dit lesuur
(1). Toets bespreken
(2). Herhaling, de doelen van de afgelopen lessen
(4). Les evalueren

Slide 2 - Slide

Toets bespreken

Slide 3 - Slide

Herhaling, de doelen van de afgelopen lessen

In de volgende dia's behandelen we de doelen 1 voor 1

Slide 4 - Slide

Werkwoord -
''ik kan een werkwoord herkennen''

Noteer 3 werkwoorden.

Slide 5 - Mind map

Noteer de werkwoorden uit de zin.

(1). Ik stuur je wel een e-mail met alle informatie erin.

Slide 6 - Open question

Noteer de werkwoorden uit de zin.

(2). Volgens het weerbericht kunnen we
morgen naar het strand.

Slide 7 - Open question

Noteer de werkwoorden uit de zin.

(3). Zaterdag opende de burgemeester
het nieuwe winkelcentrum.

Slide 8 - Open question

Welk woord is GEEN werkwoord?

(1). gekocht - koopt - kopen - koper
A
koopt
B
kopen
C
koper
D
gekocht

Slide 9 - Quiz

Welk woord is GEEN werkwoord?

(2). mail - mailen - mailt - mailtje
A
mailen
B
mailt
C
mail
D
mailtje

Slide 10 - Quiz

Lidwoorden en zelfstandig naamwoorden -
''ik kan de lidwoorden en zelfstandig naamwoorden''

Noteer de 3 lidwoorden en 3 zelfstandig naamwoorden.

Slide 11 - Mind map

Noteer de zelfstandig naamwoorden uit de zin.

(1). Daniek uit Rotterdam is heel erg geschrokken.
A
heel erg
B
Daniek en Rotterdam
C
uit
D
geschrokken

Slide 12 - Quiz

Noteer de lidwoorden uit de zin.

(2). Ze had een bestelling gedaan bij een webshop.
A
Ze en had
B
een en een
C
bestelling en gedaan
D
webshop

Slide 13 - Quiz

Noteer de lidwoorden uit de zin.

(3). Toen ze het pakket opende, zat er een extra verrassing in: een grote levende spin!
A
het, een en een
B
verrassing, pakket en spin
C
extra, verrassing en levende
D
ze, er en in

Slide 14 - Quiz

Noteer de zelfstandig naamwoorden uit de zin.

(4). Toen ze het pakket opende, zat er een extra verrassing in: een grote levende spin!
A
het, een en een
B
verrassing, pakket en spin
C
extra, verrassing en levende
D
ze, er en in

Slide 15 - Quiz

Bijvoeglijk naamwoord -
''ik ken het verschil tussen enkelvoud en meervoud.''

Noteer 3 bijvoeglijk naamwoord

Slide 16 - Mind map

Noteer alle bijvoeglijk naamwoorden uit de zin.

(1). De dikste mensen ter wereld wonen op de Samoa-eilanden.

Slide 17 - Open question

Noteer alle bijvoeglijk naamwoorden uit de zin.

(2). Helene ging telkens naar het toilet tijdens de spannende film.

Slide 18 - Open question

Noteer alle bijvoeglijk naamwoorden uit de zin.

(3). In het slechte weer verdwaalden de jonge scouts.

Slide 19 - Open question

Noteer alle bijvoeglijk naamwoorden uit de zin.

(4). Het ijs is koud en daarom kun je het bijna niet eten.

Slide 20 - Open question

Verkleinwoorden -
''ik ken het verschil tussen enkelvoud en meervoud.''

Noteer 3 verkleinwoorden.

Slide 21 - Mind map

Noteer het verkleinwoord van het woord tussen haakjes.

(1). Het meisje mocht een ...... (kroon) dragen op haar verjaardag.

Slide 22 - Open question

Noteer het verkleinwoord van het woord tussen haakjes.

(2). We moesten allemaal in een ..... (kring) gaan zitten.

Slide 23 - Open question

Noteer het verkleinwoord van het woord tussen haakjes.

(3). Ik ben op zoek naar een ..... (zeepomp) voor in de badkamer.

Slide 24 - Open question

Noteer het verkleinwoord van het woord tussen haakjes.

(4). Roy heeft een ..... (armband) gekocht voor zijn moeder.

Slide 25 - Open question

Sterke en zwakke werkwoorden -
''ik kan sterke en zwakke werkwoorden herkennen.''

Geef mij uitleg van het verschil tussen een sterke en zwakke werkwoord.

Slide 26 - Mind map

Is het werkwoord tussen haakjes een sterk of zwak werkwoord?

(1). Ik (viel) languit op de grond.
A
sterk
B
zwak

Slide 27 - Quiz

Is het werkwoord tussen haakjes een sterk of zwak werkwoord?

(2). Adriana (verlangde) naar een ijsje.
A
sterk
B
zwak

Slide 28 - Quiz

Is het werkwoord tussen haakjes een sterk of zwak werkwoord?

(3). Wij (zochten) een plek om te studeren.
A
sterk
B
zwak

Slide 29 - Quiz

Is het werkwoord tussen haakjes een sterk of zwak werkwoord?

(4). (Zag) jij die man met die hoed?
A
sterk
B
zwak

Slide 30 - Quiz

Is het werkwoord tussen haakjes een sterk of zwak werkwoord?

(5). Benny (praatte) aan een stuk door.
A
sterk
B
zwak

Slide 31 - Quiz

Is het werkwoord tussen haakjes een sterk of zwak werkwoord?

(6). Amina (parkeerde) haar fiets op de stoep.
A
sterk
B
zwak

Slide 32 - Quiz

Persoonsvorm v.t. van zwakke werkwoorden -
''de persoonsvorm van zwakke werkwoorden in de v.t. spellen.''

Wat kun jij mij vertellen over de persoonsvorm v.t. van zwakke werkwoorden?

Slide 33 - Mind map

Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd enkelvoud.

(1). ik wandel

Slide 34 - Open question

Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd enkelvoud.

(2). ik vlucht

Slide 35 - Open question

Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd enkelvoud.

(3). ik slik

Slide 36 - Open question

Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd enkelvoud.

(4). ik draai

Slide 37 - Open question

Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd enkelvoud.

(5). ik wed

Slide 38 - Open question

Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd enkelvoud.

(6). ik schop

Slide 39 - Open question

Persoonsvorm v.t. van sterke werkwoorden -
''de persoonsvorm van sterke werkwoorden in de v.t. spellen.''

Wat kun jij mij vertellen over de persoonsvorm v.t. van sterke werkwoorden?

Slide 40 - Mind map

Noteer van elk werkwoord de persoonsvorm in de verleden tijd tussen haakjes.

(1). Dex (duiken) in een keer in het water.

Slide 41 - Open question

Noteer van elk werkwoord de persoonsvorm in de verleden tijd tussen haakjes.

(2). De takken van de boom (breken) door de storm.

Slide 42 - Open question

Noteer van elk werkwoord de persoonsvorm in de verleden tijd tussen haakjes.

(3). Ik (denken) dat we morgen geen les hadden.

Slide 43 - Open question

Noteer van elk werkwoord de persoonsvorm in de verleden tijd tussen haakjes.

(4). In de kas (hangen) een oude jas.

Slide 44 - Open question

Noteer van elk werkwoord de persoonsvorm in de verleden tijd tussen haakjes.

(5). De kinderen (glijden) van de glijbaan.

Slide 45 - Open question

Noteer van elk werkwoord de persoonsvorm in de verleden tijd tussen haakjes.

(6). Jullie (doen) erg je best.

Slide 46 - Open question

Hoe vond je mijn les van vandaag?
19

Slide 47 - Poll

Tips & tops!
(wat kan er beter & wat ging er goed)

Slide 48 - Poll