PTO 2 oefentoets (H4 en H5)

Bidden, vechten, werken
Hoofdstuk 4


Geschiedenis - Basis 1
1 / 32
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Bidden, vechten, werken
Hoofdstuk 4


Geschiedenis - Basis 1

Slide 1 - Slide

Welke periode bespreken we in hoofdstuk 3?
A
De prehistorie
B
De oudheid
C
De vroege middeleeuwen
D
De late middeleeuwen

Slide 2 - Quiz

Welke jaartallen horen bij dit hoofdstuk?
A
500-1000
B
1000-1500
C
tot 3000 v. Chr.
D
3000 v. Chr. - 500 n. Chr.

Slide 3 - Quiz

Zet de gebeurtenissen in de juiste volgorde.
Begin met de gebeurtenis die het eerst plaatsvond.
Tip: Als je deze vraag moeilijk vindt, kijk dan nog eens op blz. 94 in je boek.
1
Een engel verteld Mohammed in een droom dat er maar één god is, Allah.
2
Mohammed voert oorlog met Mekka en wint.
3
Mohammed vlucht naar Medina.
4
Veel inwoners van Mekka worden moslim.
5
Mohammed vertelt de inwoners van Mekka over zijn droom, maar ze geloven hem niet.
6
Mohammed sterft.

Slide 4 - Drag question

Kies bij elk woord de naam die er het beste bij past.
Koning
Profeet
Vermoord
Monnik
Mohammed
Karel de Grote
Bonifatius
Willibrord

Slide 5 - Drag question

Zet de zinnen op de goede plek in de kaart.
1
Het gebied waar Mohammed leefde.
2
Het rijk  van Karel de Grote.
3
De plaats waar Willibrord naar de Friezen reisde.

Slide 6 - Drag question

Wie wordt bedoeld?
Boer die bij een leenman en het gebied hoorde.
A
Ridder
B
Horige
C
Leenheer
D
Monnik

Slide 7 - Quiz

Wie wordt bedoeld?
Iemand die in dienst is van de kerk.
A
Geestelijke
B
Horige
C
Leenheer
D
Monnik

Slide 8 - Quiz

Wie wordt bedoeld?
Soldaat van de koning.
A
Geestelijke
B
Horige
C
Ridder
D
Non

Slide 9 - Quiz

Wie wordt bedoeld?
Man die een deel van zijn gebied door iemand anders liet besturen.
A
Leenheer
B
Horige
C
Ridder
D
Leenman

Slide 10 - Quiz

Wie wordt bedoeld?
Man die in een klooster woont en leeft in dienst van God.
A
Moslim
B
Horige
C
Monnik
D
Non

Slide 11 - Quiz

Wie waren Bonifatius en Willibrord?
A
Zij waren geestelijken en christenen.
B
Zij waren geestelijken en edelen.
C
Zij waren soldaten en Friezen.
D
Zij waren christenen en moslims.

Slide 12 - Quiz

Bekijk de afbeelding.
Zet de woorden op de goede plek in de tekst.
Het gebouw op de foto is een ........................
Hierin woonden ........................ of ........................ Twee dingen die zij daar deden waren: ........................ en ........................
klooster
kerk
moskee
monniken
nonnen
moslims
zieken verzorgen
boeken overschrijven
vechten
besturen

Slide 13 - Drag question

Karel de Grote bestuurde zijn land niet zelf. Hij gebruikte het leenstelsel. Waarom deed Karel dat?
A
Zijn rijk was te groot om door één man bestuurd te worden. Karel kon onmogelijk overal tegelijk zijn.
B
In die tijd was het leenstelsel heel normaal. De meeste koningen deden het zo. Karel dus ook.
C
De leenmannen dwongen hem om hen stukken land in leen te geven. Als Karel dat niet deed werd hij vermoord.
D
Karel wordt 'de Grote' genoemd, maar hij was altijd lui en moe. Hij had helemaal geen zin om te besturen.

Slide 14 - Quiz


Waarom wilden boeren in de vroege middeleeuwen horigen worden?
A
Omdat het leuk was om horigen te zijn
B
Omdat je dan heel rijk kon worden
C
Om bescherming te krijgen
D
Omdat horigen vrienden van de koning waren

Slide 15 - Quiz

Op welke afbeelding zie je een directe bron over de tijd van monniken en ridders?
A
B
C
D

Slide 16 - Quiz

Is het een wel of niet een plicht van de horige?

Horigen waren ... verplicht te werken voor de heer.
A
wel
B
niet

Slide 17 - Quiz

Is het een wel of niet een plicht van de horige?

Horigen waren ... verplicht om belasting te betalen aan de heer.
A
wel
B
niet

Slide 18 - Quiz

In de Middeleeuwen waren het christelijk geloof en de kerk erg belangrijk. Waarom?
A
Mensen hoopten na hun dood in de hemel te komen. Daar was alles goed en mooi.
B
Mensen hoopten dat God hen zou vernietigen.
C
Mensen vonden kerken erg lelijk.
D
Mensen geloofden dat de geestelijken ver van God stonden en hen niet hielpen.

Slide 19 - Quiz

Welke hoort bij welke stand?
Belasting betalen.
Adel
Boeren
Beschermen
Voedsel produceren
Geestelijken
Het land besturen
Bidden

Slide 20 - Drag question

Bij welke stand hoort de persoon.

Harige Hubertus, een horige.
A
De geestelijken
B
De adel
C
De boeren

Slide 21 - Quiz

Bij welke stand hoort de persoon.

Melige Marcus, een monnik
A
De geestelijken
B
De adel
C
De boeren

Slide 22 - Quiz

Bij welke stand hoort de persoon.

Karel de Kale, kleinzoon van Karel de Grote. Hij was koning, net zoals zijn opa.
A
De geestelijken
B
De adel
C
De boeren

Slide 23 - Quiz

De stad in de middeleeuwen
Hoofdstuk 5


Geschiedenis - Basis 1

Slide 24 - Slide

Welke kenmerken van de middeleeuwse stad herken je?
1
De rivier
2
Marktplein
3
Stadspoort

Slide 25 - Drag question


Welk voordeel heeft stadsrechten?
A
Eigen stadsmuur bouwen
B
Een tweede stad bouwen
C
Geen belasting meer betalen
D
Geen regels meer

Slide 26 - Quiz


Een ambacht is iets maken met ...
A
een machine
B
hulp van dieren
C
elektriciteit
D
je eigen handen

Slide 27 - Quiz


Een voorbeeld van een ambachtsman is ...
A
een burgenmeester
B
een leraar
C
een timmerman
D
een handelaar

Slide 28 - Quiz


De Hanzesteden zijn te vinden in ...
A
West- en Noord-Europa
B
Heel Europa
C
Alleen in Nederland en Duitsland
D
Over de hele wereld

Slide 29 - Quiz


De Gilden zijn te vinden in ...
A
Buiten de stad
B
Binnen de stad

Slide 30 - Quiz


Dit is geen voordeel van de Hanze
A
Helpen in tijden van ziekte
B
Prijsafspraken maken
C
Geen belasting betalen
D
Veiliger reizen

Slide 31 - Quiz


Dit is geen voordeel van de Gilden
A
Helpen in tijden van ziekte
B
Opleiding
C
Geen belasting betalen
D
Prijsafspraken

Slide 32 - Quiz