week 5 - Soorten vragen

Terugblik
Vorige les rubric besproken mondeling examen:
 Hoe ziet een actieve deelname aan het gesprek eruit?
 Waar let je op ten aanzien van taalgebruik en houding?

1 / 39
next
Slide 1: Slide
CommunicatieMBOStudiejaar 2

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Terugblik
Vorige les rubric besproken mondeling examen:
 Hoe ziet een actieve deelname aan het gesprek eruit?
 Waar let je op ten aanzien van taalgebruik en houding?

Slide 1 - Slide

Goede vragen
Waarom zijn ze zo belangrijk?
Wat maakt een goed gesprek?

Slide 2 - Slide

Wat is een goede vraag?
Een goede vraag stel je vanuit oprechte belangstelling. 
Door vragen te stellen kom je meer te weten over jouw gesprekspartner


Opdracht 1:
Je gaat een interview afnemen bij een klasgenoot. Je wilt meer te weten komen over zijn/haar hobby's? Hoe ben je het gesprek begonnen? Welke vragen stel je?  
Bespreek dit in je tweetal en schrijf dan zelf 4 vragen op. 


Slide 3 - Slide

Vragen stellen
Het stellen van de juiste vragen is een van de meest belangrijke onderdelen van een goed gesprek. Belangrijk is om de juiste type vraag op het juiste moment te stellen. Er zijn verschillende type vragen:
  • open vragen
  • gesloten vragen
  • waaromvragen
  • suggestieve vragen
  • doorvragen of explorerende vragen

Slide 4 - Slide

Open vragen
Op een open vraag kun je meer dan 'ja' of 'nee' antwoorden. Je kunt uitgebreid antwoord geven.

Vaak zijn het 5 vragen met de 'W' en de 'H'.
Wie, wat, waar, wanneer of hoe.

Door het stellen van open vragen betrek je jouw gesprekspartner bij het onderwerp van het gesprek.

Slide 5 - Slide

Open vragen
Het kenmerk van een open vraag is dat deze de ander uitnodigt om uitgebreid antwoord te geven. Open vragen beginnen doorgaans met Wie, Wat, Waar, Wanneer of Hoe.

  • Waarom vind je voetbal zo leuk?
  • Wat kun je mij vertellen over jouw hobby?

Slide 6 - Slide

Voor- en nadelen van open vragen:
Voordelen:
  • je nodigt jouw gesprekspartner uit om zijn/haar verhaal te doen.
  • je toont echt interesse
Nadelen:
  • kosten veel tijd (vooral als de ander maar blijft praten)
  • het is moeilijk om alle informatie te onthouden en het gesprek te sturen.
Probeer dan kort samen te vatten, een andere vraag te stellen en maak korte aantekeningen.

Slide 7 - Slide

Gesloten vragen
Het kenmerk van een gesloten vraag is dat deze beantwoord kan worden met 'ja' of 'nee' of door een feitelijk antwoord.
  • Wat vind je van voetbal? 
  • Wanneer was je voor het laatst op het voetbalveld?
  • Hoe was de wedstrijd?
Het stellen van gesloten vragen kan ook zeker functioneel zijn om bij de gesprekspartner ruimte te creëren om hun gedachten te ordenen om uitgebreider antwoord te kunnen geven.

Slide 8 - Slide

Voor- en nadelen van gesloten vragen:
Voordelen:
• ze zijn geschikt als je in korte tijd specifieke informatie wilt verzamelen;
• ze geven vaak alleen dié informatie waarom je gevraagd hebt;
• ze leveren meestal korte en bondige antwoorden op: ‘ja’, ‘nee’, ‘misschien’, ‘
• ze sturen het gesprek en ze zorgen dat je recht op je doel afgaat;
Nadeel:
• ze kunnen al gauw lijken op een ‘kruisverhoor’.

Slide 9 - Slide

Opdracht 1: open of gesloten vaarg
Hierna volgen een aantal vragen.
Zijn dit open of gesloten vragen?

Slide 10 - Slide

Wilt u koffie of thee?
Open vraag
Gesloten vraag

Slide 11 - Poll

Wat vinden jullie goed aan de nieuwe kantine?
Open vraag
Gesloten vraag

Slide 12 - Poll

Waarom is tekenen jouw lievelingsvak?
Open vraag
Gesloten vraag

Slide 13 - Poll

Ben jij 12 jaar oud?
Open vraag
Gesloten vraag

Slide 14 - Poll

Ben jij al in het zwembad geweest?
Open vraag
Gesloten vraag

Slide 15 - Poll

Waarom lieg je tegen mij?
Open vraag
Gesloten vraag

Slide 16 - Poll

Slide 17 - Video

Opdracht 2: open en gesloten vragen
Situatie:
Je gaat in gesprek met een klasgenoot over jullie hobby's.

Bedenk  3 open vragen en 3 gesloten vragen die je in het gesprek kan stellen. Hier heb je 5 minuten voor.

Slide 18 - Slide

Suggestieve vragen:

Dit zijn vragen waar (een deel van) het antwoord al in zit. 

Met deze vragen probeer je je gesprekspartner te beïnvloeden. 

  • Denk je niet dat dit de beste manier is? 
  • Je voelt je vast trots als je vooruitgang boekt in je hobby, toch?
  • Is het niet zo dat je hobby je helpt om te ontspannen en je creativiteit te uiten?





Slide 19 - Slide

Voor- en nadelen suggestieve vragen:
Voordeel
  • als je de ander wilt overhalen of als je een bevestiging wilt van wat je hebt afgesproken.
Nadeel
  • je weet niet of de ander ‘ja’ zegt omdat jíj dat zo graag wil horen of omdat hij het werkelijk wil of meent.

Slide 20 - Slide

Opdracht 3: suggestieve vragen
Noem 2 suggestieve vragen die je ziet in het filmpje.

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Opdracht 4: video talkshow
1. Welke open vragen hoor je (minimaal 2)
2. Welke gesloten vragen hoor je (minimaal 2)
3. Welke suggestieve vragen hoor je (minimaal 1)

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Video

Opdracht 5: Maak van de volgende gesloten vragen open vragen:
-Ga je vanavond nog trainen?
-Ben je tevreden over onze service?
-Wilt u nog wat drinken?
-Geloof jij in God?
-Ben je al lang thuis?
-Deed dat voorval iets met je?
-Heb je een leuke vakantie gehad?
-Begrijp je wat ik bedoel?
-Ben je ziek?
Hou je van me?

Slide 25 - Slide

Doorvragen of explorerende vragen
Aan de hand van het antwoord van jouw gesprekspartner op een gesloten of open vraag kun je proberen door middel van doorvragen datgene wat hij/zij vertelt te verduidelijken.
  • Hoe bedoel je dat precies?
  • Kun je mij daar meer over vertellen?
  • Noem een een voorbeeld hiervan?

Slide 26 - Slide

Luisteren, Samenvatten, Doorvragen
Het is een gespreksvaardigheid die helpt om actief en effectief te communiceren.
Luisteren – Laat de ander uitspreken en toon interesse door bijvoorbeeld te knikken of hummen.
Samenvatten – Herhaal kort wat de ander heeft gezegd om te checken of je het goed begrepen hebt.
Doorvragen – Stel open of verdiepende vragen om meer details te krijgen en het gesprek gaande te houden.

Slide 27 - Slide

Waar let je op tijdens het gesprek
Gespreksleider:
1. Houdt oogcontact en geeft kleine aanmoedigingen
2. Vult niet voor de cliënt in wat hij eigenlijk wil zeggen of voelt 
3. Stelt gerichte vragen en vraag door
4. Stelt geen suggestieve vragen en geen dubbele vragen
5. Laat stiltes vallen wanneer dat nodig is

Slide 28 - Slide

Waar let je op tijdens het gesprek
6. Vertelt de cliënt wat hem opvalt aan emoties en vraagt na of dit klopt (ANNA)
7. Vraagt naar wat de cliënt voelt en vindt (reflecteren)
8. Verwoordt gevoelens van de cliënt op vragende toon weer (spiegelen)
9. Geeft geen adviezen of oplossingen (OMA)
10. Neemt niet de rol van cliënt over, door met eigen ervaringen te komen
 

Slide 29 - Slide

"Gespreksfouten"
ANNA - Altijd Navragen, Nooit Aannemen
NIVEA - Niet Invullen Voor Een Ander
OMA - Oordelen, Meningen, Aannames

Slide 30 - Slide

Andere soorten vragen
Er zijn natuurlijk andere soorten vragen:
  • Controlevragen
  • Tegenvragen
  • Onbeleefde vragen
  • Keuzevragen


Slide 31 - Slide

Controlevragen

Een controlevraag is bedoeld om erachter te komen of je elkaar goed begrepen hebt. Controlevragen kun je ook stellen als een suggestieve vraag, maar bieden de ander de mogelijkheid het oneens met je te zijn.

Voorbeelden van controlevragen:

• Heb ik dit voldoende toegelicht?

• Wat vindt u van deze benadering?

• Herkent u wat ik zeg?

• Bent u het met mij eens, dat....?

• Hoe komt dit bij u over?





Slide 32 - Slide

Tegenvragen:
Tegenvragen kun je stellen om (weer) regie over het gesprek te krijgen of te houden.
Voorbeeld tegenvragen:
• Hoe bedoelt u?
• Waarom vraagt u dat?
• Wat is de achtergrond van uw vraag?

Slide 33 - Slide

Onbeleefde vraag

Dit zijn onbeschofte vragen. Deze vragen gebruik je bij voorkeur niet. Het wordt een onaangenaam gesprek. 


Wat vinden jullie een onbeleefde vraag ?





Slide 34 - Slide

Keuzevragen
Je kunt kiezen uit een aantal opties. 

 'Wil je koffie of thee?'
'Willen jullie een opdracht doen of een film kijken?'



 



Slide 35 - Slide

Mondeling examen
Je kiest 1 opdracht uit het fictiedossier (opdracht 5 t/m 8) waar je het gesprek over wilt voeren. Dit bereid je voor, zodat je weet wat je eventueel erover wilt vertellen en wat je ervan vond.

Daarnaast ga je in het examen jouw keuzes beargumenteren en uitleggen. 































































Slide 36 - Slide

Punten die in het gesprek moeten voorkomen:
1. De luisteraar neemt dezelfde lichaamshouding aan als de ander [spiegelen].
2. De luisteraar maakt oogcontact
3. De luisteraar past mimiek en intonatie aan
4. De luisteraar houdt een afstand aan die gebruikelijk is bij het spreken op normale gesprekstoon
5. De luisteraar reageert zo nu en dan met verbale ondersteuning en bijbehorende hoofd gebaren [aandachtgevend gedrag] .

Slide 37 - Slide

Punten die in het gesprek moeten voorkomen
6. De luisteraar heeft een ontspannen en rustige houding
7. De luisteraar vraagt de ander om verduidelijking van dingen die hij zegt of doet [concretiseren] .
8. De luisteraar kan samenvatten naar inhoud. [Parafraseren]
9. Samenvatten naar gevoel en emoties benoemen. [Reflecteren]
10. De luisteraar maakt gebruik van vragen: open vragen; gesloten vragen, suggestieve vragen,sturende vragen en doorvragen
11. De luisteraar vervalt niet in luisterfouten: b.v. OMA. geen OEN zijn en NIVEA ,etc.

Slide 38 - Slide

Stel minimaal:

-2 gesloten vragen
-1 open vraag
-1 reflecterende vraag (maak gebruik van LSD)
-1 suggestieve vraag

Je oefent vandaag met 2 soorten gesprekken. Volgende week neem je 1 gesprek op (video) en deze lever je in als eindopdracht!




Slide 39 - Slide