Havo 4 Frans week 14 wederkerende werkwoorden

Havo 4 Frans week 14 wederkerende werkwoorden
1 / 31
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Havo 4 Frans week 14 wederkerende werkwoorden

Slide 1 - Slide

1HV1 Première leçon
Les objectifs :
* Je kunt een gesprek over liefdesrelaties begrijpen.
* Je kunt het hoofdthema en de belangrijkste 
punten begrijpen in een eenvoudige tekst over liefde.
* Je kunt het aanwijzend voornaamwoord gebruiken.
Le programme :
Unité 4 Je t'aime p. 8-15
Apprendre:
Voca regarder
Faire: (=doen/ maken)
U4: ex. 11abc, 13,14
Bonjour! Bienvenue à la semaine quatorze!

Slide 2 - Slide

Qu'est-ce qu'on va faire?
  • Répéter le dernier cours
  • www.lyrictstraining.com
  • Uitleg wederkerende werkwoorden
  • Uitleg eindexamensite
  • Corriger les devoirs: U4: ex. 11abc, 13,14 
  • Faire les devoirs: U4: ex.18abcd, 20
  • Réflexion du cours

Slide 3 - Slide

Répéter le dernier cours 
Wat hebben we vorige keer ook alweer geleerd?
Het rad geeft de beurt!

  • noem de 8 Franse aanwijzende voornaamwoorden
  • vertaal: de koptelefoon / oordopjes
  • vertaal: au début
  • schrijf het werkwoord "danser" in de 4 tijden


timer
5:00

Slide 4 - Slide

Ik kan het aanwijzend voornaamwoord toepassen in het Frans.
😒🙁😐🙂😃

Slide 5 - Poll

De wederkerende werkwoorden
Wederkerende werkwoorden zijn werkwoorden waar in het Nederlands zich voor staat: zich wassen, zich vergissen, zich voelen, zich herinneren, zich zorgen maken, etc.

Slide 6 - Slide

Veel voorkomende werkwoorden
zich douchen - se doucher
zich wassen - se laver
zich scheren - se raser
zich opmaken - se maquiller
Sommige werkwoorden zijn in het Nederlands NIET wederkerend, maar in het Frans wel!!!!
wakker worden - se réveiller
opstaan - se lever
naar bed gaan- se coucher
tandenpoetsen - se brosser les dents
wandelen - se promener

Slide 7 - Slide

Zich wassen

Een voorbeeld: Ik was me

Bij wederkerende werkwoorden horen de dikgedrukte woorden altijd bij elkaar. Ik en me, jij en je, hij en zich etc.


Se laver

je me lave (ik was me)
tu te laves (jij wast je)
il se lave (hij wast zich)
elle se lave (zij wast zich)
on se lave (men wast zich)
nous nous lavons (wij wassen ons)
vous vous lavez (jullie wassen jullie)
ils/elles se lavent (zij wassen zich)

Slide 8 - Slide

In de passé composé

vervoegen we ALLE wederkerende werkwoorden met ÊTRE

Je me suis lavé(e)
tu t'es lavé(e)

il s'est lavé

elle s'est lavée

nous nous sommes lavé(e)s
vous vous êtes lavé(e)(s)
ils se sont lavés

elles se sont lavées

Slide 9 - Slide

Elle ... (s'intéresser)

Slide 10 - Open question

Je ... (se laver)

Slide 11 - Open question

Nous ... (s'amuser)

Slide 12 - Open question

Ils ... (se coucher)

Slide 13 - Open question

Vous ... (s'installer)

Slide 14 - Open question

Les élèves ... (se connaître)

Slide 15 - Open question

Deel 2
De wederkerende werkwoorden in de passé composé.

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Ontkenning
Als je een wederkerend werkwoord ontkennend maakt, komt ne tussen het onderwerp en het wederkerend voornaamwoord, en pas (zoals normaal) achter de pv. 
Je ne me couche pas = ik ga niet naar bed
Je ne me suis pas couché = ik ben niet naar bed gegaan

Slide 18 - Slide

Kies de juiste optie:
Het wederkerend werkwoord vervoeg je altijd met het hulpwerkwoord ...
A
avoir
B
être

Slide 19 - Quiz

Tu ... (se coucher, ontkennend, présent)

Slide 20 - Open question

Léa et Julie ... (s'amuser, ontkennend, passé composé)

Slide 21 - Open question

Elle ... (se reposer, passé composé)

Slide 22 - Open question

Vous ... (se présenter, ontkennend, présent)

Slide 23 - Open question

Je ... (s'entraîner, passé composé)

Slide 24 - Open question

Vertaal: Alain en Louis hebben zich geschoren
A
Alain et Louis se sont rasés
B
Alain et Louis se sont rasé
C
Alain et Louis se sont rasée
D
Alain et Louis se sont rasées

Slide 25 - Quiz

Vertaal: Adèle en Claudine hebben (zich) gedoucht
A
Adèle et Claudine se sont douché
B
Adèle et Claudine se sont douchées
C
Adèle et Claudine ont se douché
D
Adèle et Claudine ont se douchées

Slide 26 - Quiz

Vertaal: jij bent niet naar bed gegaan.
A
tu ne t'est pas couché
B
tu ne t'es pas couché
C
tu ne t'es pas couchée
D
tu ne t'est pas couchée

Slide 27 - Quiz

Vertaal: Zij heeft zich gewassen

Slide 28 - Open question

Corriger les devoirs: 
U4: ex.2,7 t/m 10

Slide 29 - Slide

Faire les devoirs: 
U4: ex. 11abc, 13,14

Slide 30 - Slide

Fin du cours
1. Samenvatting van de les 
Vandaag hebben we het aanwijzend voornaamwoord gebruikt.
2. Korte check met een vraag of opdracht 
Wie kan een zin maken waarbij een aanwijzend voornaamwoord wordt gebruikt?  Rad laten draaien?
3. Positieve feedback 
Wat ging er goed deze les?
4. Vooruitblik en afsluiting 
De volgende les gaan we wederkerende werkwoorden leren. Ook gaan we een start maken met oefenen met eindexamen leesteksten.


timer
10:00

Slide 31 - Slide