What is LessonUp
Search
Channels
Log in
Register
‹
Return to search
NT2 A2 zeggen dat, vragen of
A2 zeggen dat, vragen of
Waar gebruik je
dat?
Waar gebruik je
of?
1 / 17
next
Slide 1:
Slide
NT2
ISK
This lesson contains
17 slides
, with
interactive quizzes
and
text slides
.
Lesson duration is:
60 min
Start lesson
Save
Share
Print lesson
Items in this lesson
A2 zeggen dat, vragen of
Waar gebruik je
dat?
Waar gebruik je
of?
Slide 1 - Slide
OF:
Benieuwd zijn:
Ik ben benieuwd
of...
Niet weten:
Hij
weet niet of... MAAR:
Hij
weet dat...
Vragen:
Wil je vragen
of...
Slide 2 - Slide
DAT:
Beloven:
Beloof je
dat... Zeggen:
Jij zegt
dat...
Denken:
Ik denk
dat... Zien:
Ik zie
dat...
Geloven:
Wij geloven
dat...
Hopen:
Hij hoopt
dat...
Horen:
We hebben gehoord
dat...
Vertellen:
Zij vertelt
dat...
Vinden:
Jullie vinden
dat...
Slide 3 - Slide
Ik beloof dat ik op tijd kom.
Ik beloof = hoofdzin
Dat ik op tijd kom = bijzin
Let op: na het woordje
of / dat:
onderwerp - rest van de zin - werkwoord(en)
Dus werkwoord(en) achteraan de zin!
Slide 4 - Slide
Wat is goed?
A
Ik beloof dat ik ben op tijd.
B
Ik beloof dat ik op tijd ben.
C
Ik beloof of ik ben op tijd.
D
ik beloof of ik op tijd ben.
Slide 5 - Quiz
Wat is goed?
A
Ik ben benieuwd of hij op tijd is.
B
Ik ben benieuwd dat hij is op tijd.
C
Ik ben benieuwd of hij is op tijd.
D
Ik ben benieuwd dat hij op tijd is.
Slide 6 - Quiz
Wat is goed?
A
Hij denkt of hij op tijd is.
B
Hij denkt dat hij is op tijd.
C
Hij denkt of hij is op tijd.
D
Hij denkt dat hij op tijd is.
Slide 7 - Quiz
Wat is goed?
A
Wij geloven dat hij komt op tijd.
B
Wij geloven of hij op tijd komt.
C
Wij geloven dat hij op tijd komt.
D
Wij geloven of hij komt op tijd.
Slide 8 - Quiz
Wat is goed?
A
Ik weet niet dat hij op tijd komt.
B
Ik weet niet of hij komt op tijd.
C
Ik weet niet dat hij komt op tijd.
D
Ik weet niet of hij op tijd komt.
Slide 9 - Quiz
Wat is goed?
A
Ik weet dat hij komt op tijd.
B
Ik weet dat hij op tijd komt.
C
Ik weet of hij komt op tijd.
D
Ik weet of hij op tijd komt.
Slide 10 - Quiz
Wat is goed?
A
Zij hoopt dat hij op tijd komt.
B
Zij hoopt dat hij komt op tijd.
C
Zij hoopt of hij op tijd komt.
D
Zij hoopt of hij komt op tijd.
Slide 11 - Quiz
Wat is goed?
A
Ik hoor of hij op tijd komt.
B
Ik hoor of hij komt op tijd.
C
Ik hoor dat hij komt op tijd.
D
Ik hoor dat hij op tijd komt.
Slide 12 - Quiz
Wat is goed?
A
Jij vraagt of hij komt op tijd.
B
Jij vraagt dat hij op tijd komt.
C
Jij vraagt of hij op tijd komt.
D
Jij vraagt dat hij komt op tijd.
Slide 13 - Quiz
Wat is goed?
A
Zij vertelt dat hij op tijd komt.
B
Zij vertelt of hij op tijd komt.
C
Zij vertelt dat hij komt op tijd.
D
Zij vertelt of hij komt op tijd.
Slide 14 - Quiz
Wat is goed?
A
Jullie zeggen dat hij komt op tijd.
B
Jullie zeggen dat hij op tijd komt.
C
Jullie zeggen of hij komt op tijd.
D
Jullie zeggen of hij op tijd komt.
Slide 15 - Quiz
Wat is goed?
A
Ik vind dat hij moet komen op tijd.
B
Ik vind of hij moet komen op tijd.
C
Ik vind dat hij op tijd moet komen.
D
Ik vind of hij op tijd moet komen.
Slide 16 - Quiz
Wat is goed?
A
Helaas, ik zie dat hij is te laat.
B
Helaas, ik zie of hij te laat is.
C
Helaas, ik zie of hij is te laat.
D
Helaas, ik zie dat hij te laat is.
Slide 17 - Quiz
More lessons like this
indirecte rede
April 2024
- Lesson with
13 slides
Nederlands
ISK
Link A0A1 8 maart 2024
March 2024
- Lesson with
38 slides
NT2
Middelbare school
vwo
Leerjaar 5
Maandag 1 februari 2021
April 2022
- Lesson with
23 slides
NT2
Middelbare school
vmbo lwoo
Leerjaar 1
14 februari INB 10 A2 werkwoord met vast voorzetsel
April 2024
- Lesson with
13 slides
NT2
MBO
Studiejaar 1
dag 7
December 2022
- Lesson with
18 slides
14 februari INB 10 A2 werkwoord met vast voorzetsel
February 2022
- Lesson with
19 slides
NT2
MBO
Studiejaar 1
B3 - Taalverzorging H1
October 2021
- Lesson with
18 slides
Nederlands
Middelbare school
vmbo b
Leerjaar 3
Vervoegen regelmatige werkwoorden
February 2024
- Lesson with
12 slides
NT2
ISK