Anorganische en organische stoffen [

Welkom
Tas van tafel
Laptop pakken en opstarten
Binas pakken

1 / 32
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Welkom
Tas van tafel
Laptop pakken en opstarten
Binas pakken

Slide 1 - Slide

Organisch of anorganisch
Organische moleculen: energierijke moleculen die geassimileerd zijn in levende organismen. Bevatten minimaal 2 C-atomen (Glucose, eiwitten, vetten, koolhydraten)

Anorganische moleculen: energie-arme moleculen die voorkomen in de levenloze natuur. (H2O, CO2, NO3)

Slide 2 - Slide

Autotroof/heterotroof
Autotrofe organismen kunnen zelf uit anorganische moleculen hun eigen organische moleculen maken

Heterotrofe organismen kunnen dit niet en moeten andere organische moleculen binnenkrijgen om hun eigen organische moleculen te maken

Slide 3 - Slide

Leerdoel
Je kunt voorbeelden geven van organische stoffen in onze voeding en in ons lichaam

Je weet uit welke organische stoffen koolhydraten, vetten en eiwitten bestaan

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Uit welke drie elementen / atomen bestaan alle koolhydraten?

Slide 7 - Open question

Sachariden, de bouwstenen van koolhydraten
Koolhydraten (sachariden)
- bestaan uit C, O en H
- monosacharide - vb. glucose/ fructose/ galactose/ ribose
- disacharide - vb. lactose/ sacharose

Slide 8 - Slide

Polysachariden
  • allen opgebouwd op glucose moleculen
  • reservestof (zetmeel en glycogeen)
  • in planten (zetmeel en cellulose)
  • bouwstof (cellulose)
  • voedingsstof (zetmeel)


zetmeel
cellulose
glycogeen

Slide 9 - Slide

Welke polysacharide wordt ook wel de dierlijke zetmeel genoemd?
A
glucose
B
glycogeen
C
celloluse
D
glucagon

Slide 10 - Quiz

Vetten
  • erg grote moleculen
  • een glycerolgroep met drie vetzuurketens eraan
  • brandstof/ reservestof (bevat veel energie)
  • bouwstof (belangrijk onderdeel celmembranen)

Slide 11 - Slide

Een fosfolipide is een voorbeeld van een vet. Waar vinden we deze in ons lichaam?
A
Celmembraan
B
Ribosoom
C
RER
D
Mitochondrium

Slide 12 - Quiz

Aminozuren, de bouwstoffen van eiwitten
Aminozuren (bouwstenen eiwitten) 
- bestaan uit C, O, H en N
- altijd een aminogroep (-NH2) en een zuurgroep (-COOH)
- 20 soorten aminozuren 


Slide 13 - Slide

Welke twee aminozuren bevatten zwavel?

Slide 14 - Open question

DNA is ook een molecuul
Een van de grootste van het lichaam

Slide 15 - Slide

Om DNA te maken heeft een organisme voedingsstoffen nodig (zie binastabel 71A . De belangrijkste voedingsstoffen zijn hierbij vetten, koolhydraten, mineralen, vitaminen, water en eiwitten. Welke van deze zes voedingsstoffen is sowieso nodig om de benodigde elementen binnen te krijgen? Leg uit.

Slide 16 - Open question

Samenvattend
Koolhydraten bestaan uit monosachariden. Glucose is de bekendste.

Vetten bestaan uit glycerol en vetzuren.

Eiwitten bestaan uit aminozuren. Eiwitten bevatten als enige stikstof (N). 

Slide 17 - Slide

Een groot gedeelte van de aminozuren en vetzuren kan ons lichaam zelf maken.
a. In welk orgaan?
b. Hoe heet de groep aminozuren/vetzuren die ons lichaam niet zelf kan maken?

Slide 18 - Open question

Vertering
Met behulp van enzymen breekt ons verteringsstelsel langzaam aan:

Vetten af tot vetzuren en glycerol
Koolhydraten tot monosachariden
Eiwitten tot aminozuren.

Slide 19 - Slide

BINAS 82
82A = organen
82E = organen + enzymen
82F = verteringssappen

Slide 20 - Slide

Enzymen
Zijn verantwoordelijk voor alle dissimilatie en assimiliatie processen in elke cel

Het zijn eiwitten

Ze eindigen altijd op -ase 

Activiteit is afhankelijk van temperatuur 
- Hogere temperatuur betekent meer activiteit, dus meer omzettingen.
- Te hoge temperatuur betekent denatureren. Het enzym verandert van vorm (onomkeerbaar) en werkt nooit meer. 

Slide 21 - Slide

pepsine = peptidase

Slide 22 - Slide

a. In welk orgaan worden de verteringsproducten opgenomen? (H12)
b. Wat voor soort transportproces is dit? (Actief/diffusie/osmose) (H1)
c. Waar gaan die verteringsproducten daarna heen? (H8/H12/H13)

Slide 23 - Open question

a. Bij de vertering van welke voedingsstof speelt de lever een rol? Hoe?

Slide 24 - Open question

Wat betekenen de getallen die achter de enzymen staan in tabel 82E?

Slide 25 - Open question

a. Wat gebeurt er als de temperatuur ineens door een ziekte stijgt in het verteringsstelsel (koorts)? (H11/H12)
b. Koorts (temperatuurverhoging) doet ons lichaam zelf als reactie tegen ziekteverwekkers. Waarom? (H10)

Slide 26 - Open question

Noem de organen die enzymen produceren voor de koolhydraatvertering (binas)

Slide 27 - Open question

Opname in de dunne darm
Alle verteringsproducten worden via actief transport opgenomen en komen in de bloedvaten. Deze bloedvaten gaan vervolgens via de poortader naar de lever.

Via de leverader komen de verteringsproducten in je bloedvatenstelsel

Slide 28 - Slide

Darmplooien, darmvlokken en villi vergroten het darmoppervlak

Slide 29 - Slide

Hiernaast zijn schematisch overlangse doorsneden van drie darmvlokken weergegeven. In darmvlok 1 zijn alleen spieren getekend, in darmvlok 2 alleen bloedvaten en in darmvlok 3 is alleen een lymfevat getekend. In werkelijkheid bevinden zich al deze structuren in elke darmvlok. Twee plaatsen zijn aangegeven met P en Q. Waar kan zich vet bevinden?

Slide 30 - Open question

Leg uit waardoor je met onvoldoende HCO3- in je alvleessap je onvoldoende aminozuren opneemt uit je voedsel (3p)

Slide 31 - Open question

Aan de slag
Ga naar eindexamensite.nl

Maak de oefentoets genaamd
H5 13 april - stofwisseling



Slide 32 - Slide