This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
programma
Voorkennis pg 3.1 activeren
Huiswerk controle
Beginnen aan pg 3.2 uitleg
Aan de slag met de opdrachten
Slide 1 - Slide
Herhaling 3.1
Slide 2 - Slide
Wat is de definitie van stroomsterkte?
A
Het aantal elektronen per seconde
B
Het ladingsverschil van elektronen
C
Hoe makkelijk de elektronen kunnen bewegen
D
De energie die elektronen met zich meedragen
Slide 3 - Quiz
In welke richting loopt stroom?
A
van + naar -
B
van - naar +
Slide 4 - Quiz
Op welke plek moet de spanningsmeter zich bevinden?
A
A
B
B
C
C
Slide 5 - Quiz
Welke uitspraak is correct?
A
De stroomsterkte is op positie A groter dan op positie C
B
De stroomsterkte is op positie A even groot als op positie C
C
De stroomsterkte is op positie A kleiner dan op positie C
Slide 6 - Quiz
Wat is de spanning?
A
1,5 V
B
3,0 V
C
6,0 V
D
9,0 V
Slide 7 - Quiz
Spanning is een grootheid. Wat is de eenheid van spanning?
A
U
B
V
C
u
D
A
Slide 8 - Quiz
Spanning wat was dat ook nog maar?
A
het aantal deeltjes dat per seconde langs komt
B
hoeveel elektrische energie elk deeltje meeneemt.
C
de hoeveelheid geleverde energie
Slide 9 - Quiz
Wat is de spanning?
A
0V
B
6V
C
12V
D
24V
Slide 10 - Quiz
De spanning is ...
A
25 V
B
12,5 V
C
2,5 V
Slide 11 - Quiz
Huiswerk controle
Opdracht 2,3,4,5,6,8,10,13 (pg 3.1)
Slide 12 - Slide
3.2 Geleidbaarheid en weerstand
Slide 13 - Slide
leerdoelen
-Je leert waar de grootte van de stroomsterkte van afhangt.
- je weet de definitie van (inclusief eenheid) geleidbaarheid en weerstand
- je kan de geleidbaarheid en weerstand berekenen
- je kan een aantal geleiders en isolatoren benoemen
Slide 14 - Slide
Geleidbaarheid
Geleidbaarheid (G) = hoe goed een voorwerp/draad elektrische stroom geleidt.
De eenheid is siemens (S)
De geleidbaarheid hangt af van:
- de dikte van de draad:hoe dikker de draad, hoe groter de geleidbaarheid
- de lengte van de draad: hoe langer de draad, hoe kleiner de geleidbaarheid
- het materiaal van de draad: metalen (voornamelijk koper) geleiden stroom goed
Slide 15 - Slide
Geleidbaarheid
Geleidbaarheid berekenen:
G=UI
I=G⋅U
Slide 16 - Slide
Weerstand
Weerstand (R)= hoe slecht een voorwerp/draad stroom geleidt (omgekeerde van geleidbaarheid)
De eenheid is ohm (Ω)
R=G1=IU
U=I⋅R
Slide 17 - Slide
Je hebt twee lampjes met gelijke spanning. Lampje 1 heeft een stroom van 4 A en Lampje 2 een stroom van 8 A. Welk lampje heeft de grootste geleidbaarheid?
A
1
B
2
Slide 18 - Quiz
Geleidbaarheid
(I,U)-diagram
Het verband dat bij zo'n grafiek hoort heet recht evenredig verband
G=UI
I=G⋅U
Slide 19 - Slide
Geleidbaarheid
(I,U)-diagram
Het verband dat bij zo'n grafiek hoort heet recht evenredig verband
G=UI
I=G⋅U
Slide 20 - Slide
Weerstand
De spanning (U) op een stopcontact is 230 V
Als de stroomsterkte (I) groter wordt dan 16 A worden elektriciteitsdraden te warm.
Wat is de minimale weerstand (R) die op een stopcontact aangesloten moet worden?
R=G1=IU
Slide 21 - Slide
Weerstand
Weerstand (R)= hoe slecht een voorwerp/draad stroom geleidt (omgekeerde van geleidbaarheid)
De eenheid is ohm (Ω)
Ohmse weerstand constante geleidbaarheid
Niet-Ohmse weerstand overige weerstanden
Slide 22 - Slide
Weerstand
Geleiders grote geleidbaarheid, kleine weerstand
- metaal
- koolstof
- kraanwater
Isolatoren kleine geleidbaarheid, grote weerstand
- hout
- plastic
- steen
Slide 23 - Slide
Hoe dikker de draad, hoe groter de weerstand
A
waar
B
niet waar
Slide 24 - Quiz
Hoe groter de stroomsterkte, hoe groter de geleidbaarheid
A
waar
B
niet waar
Slide 25 - Quiz
Over een bakje vloeistof met een geleidingsvermogen van 0,34 S wordt een spanning van 12 V gezet. Hoeveel stroom gaat er lopen?
A
4,1 A
B
35 A
C
28 mA
D
14 A
Slide 26 - Quiz
Welke uitspraak is NIET correct over een (I,U)-diagram?
A
U staat op de verticale as
B
De grootheid die je meet staat op de verticale as
C
De grafiek gaat altijd door de oorsprong
D
De eenheid van I is Ampère
Slide 27 - Quiz
Welke uitspraak is correct?
A
Zowel grafiek 1 als 2 geeft een Ohmse weerstand weer
B
Alleen grafiek 1 geeft een ohmse weerstand weer
C
Alleen grafiek 2 geeft een ohmse weerstand weer
D
Geen van beide grafieken geven een ohmse weerstand weer