4 VWO Herhaling bindingen _dec_2024

Herhaling hfst 3 en 4
H-brug
Polair-apolair
Vanderwaalsbindingen
Ion en metaal binding
1 / 33
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Herhaling hfst 3 en 4
H-brug
Polair-apolair
Vanderwaalsbindingen
Ion en metaal binding

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Gegeven: stof AB is een moleculaire stof en stof XY is een zout.

Beoordeel de volgende twee beweringen:
I stof AB heeft in de vaste toestand een molecuulrooster en de binding tussen A en B is een atoombinding.
II stof XY heeft in de vaste toestand een ionrooster en de binding tussen X en Y is een ionbinding.

Welke van deze twee beweringen is juist?

A
beide beweringen zijn juist.
B
alleen bewering I is juist
C
alleen bewering II is juist
D
geen van beide beweringen is juist.

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

Welke bindingen worden verbroken bij het oplossen van zout in water
A
Atoombindingen
B
Molecuulbinden
C
Verbindingen
D
Ionbindingen

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Welk soort roosters hebben vast magnesiumjodide, MgI₂ (s) en vast jood, I₂ (s)?
A
beide hebben een metaalrooster
B
beide hebben een ionrooster
C
Magnesiumjodide heeft een metaalrooster en jood heeft een molecuulrooster
D
Magnesiumjodide heeft een ionrooster en jood heeft een molecuulrooster

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Moleculaire stoffen bestaan uit moleculen.
Waaruit zijn moleculen opgebouwd?
A
Ionen
B
Atomen

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Welke binding heeft
dit molecuul?
A
Covalente atoombinding
B
Polaire covalente atoombinding
C
Ionbinding
D
Metaalbinding

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Is de binding tussen
waterstof en chloor
een polaire binding?
A
Ja
B
Nee

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Hoe heet de binding in O2?
A
(apolaire) atoombinding
B
polaire atoombinding
C
ionbinding
D
molecuulbinding

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Polaire binding
atoombinding
OH binding
CO binding
CH binding
NH binding
HH binding

Slide 9 - Drag question

This item has no instructions

Welke binding wordt of welke bindingen worden verbroken als de vloeistof butaan verdampt ?
A
atoombindingen, waterstofbruggen en vanderwaalsbindingen
B
vanderwaalsbindingen
C
Waterstofbruggen
D
atoombindingen

Slide 10 - Quiz

Wat zijn de volgende bindingen?
En waneer zijn deze bindingen?
Heeft
polaire bindingen?
CO2
A
Ja
B
Nee

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

atoombinding
polaire atoom-
binding
ion-
binding
Cl - Cl
H - Cl
Na - Cl

Slide 12 - Drag question

This item has no instructions

Sterkste vanderwaalsbinding
Laagste kookpunt
Lastigst om de bindingen te breken

Slide 13 - Drag question

This item has no instructions

Bij welke fase overgang(en) worden VanderWaals-bindingen verbroken?
A
Van vast naar vloeibaar
B
Van vloeibaar naar gas
C
Van vast naar gas
D
Van gas naar vloeibaar

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Een waterstofbrug is een covalente binding
A
Waar
B
Niet waar

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

zet de vinkjes op de bindingen die een waterstofbrug kunnen vormen.

Slide 16 - Drag question

This item has no instructions

Welke bindingen worden verbroken bij het koken van vloeibaar ammoniak?
A
waterstofbruggen
B
waterstofbruggen en vanderwaals-bindingen
C
vanderwaals-bruggen
D
vanderwaals-bindingen

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

De concentratie van CO2 was 0,037%. Hoeveel ppm stelt dit voor?
A
3,7
B
37
C
370
D
3700

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

welke structuur kan een waterstofbrug aangaan?
A
B
C
D

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

De berekening voor ppm is:
A
massa geheel/massa deel x 10^6
B
massa geheel/massa deel x 10^9
C
massa deel/massa geheel x 10^6
D
massa deel/massa geheel x 10^9

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke fase overgang(en) worden VanderWaals-bindingen verbroken?
A
Van vast naar vloeibaar
B
Van vloeibaar naar gas
C
Van vast naar gas
D
Van gas naar vloeibaar

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Welke waterstofbrug
is goed getekend?
A
a
B
b
C
c
D
d

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Een waterstofbrug kan voorkomen tussen:
A
OH-groepen
B
NH-groepen
C
OH- en NH-groepen
D
Niet tussen OH- en NH-groepen

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Is dit molecuul polair?
A
Ja
B
Nee

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Heeft
polaire bindingen?
CO2
A
Ja, 2 polaire bindingen
B
Ja, 4 polaire bindingen
C
Geen

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Is het acetaation
(CH₃COO‾)
een polair molecuul?

A
Nee, geen polaire atoombindingen
B
Nee, 'δ+' en 'δ- ' vallen samen
C
Nee, het is een platte driehoek
D
Ja, 'δ+' en 'δ- ' vallen NIET samen.

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Welke molecuul heeft de sterkste VanderWaals-binding?
A
Links
B
Midden
C
Rechts
D
Geen idee

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Voor het vormen van een waterstofbrug ...
A
zijn apolaire moleculen nodig
B
zijn moleculen met OH-groepen nodig
C
zijn moleculen met OH/NH-groepen nodig
D
zijn polaire moleculen nodig

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Hydrofiele stoffen...
A
mengen goed met water
B
mengen goed met hydrofobe stoffen
C
mengen slecht met hydrofobe stoffen
D
mengen slecht met water

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Is dit molecuul hydrofiel
of hydrofoob?
A
Hydrofiel
B
Hydrofoob
C
Allebei

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Is dit molecuul hydrofiel
of hydrofoob?
A
Hydrofiel
B
Hydrofoob
C
Allebei

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

Is dit blad hydrofiel of hydrofoob?
A
hydrofiel
B
hydrofoob

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Is het molecuul hydrofiel of hydrofoob?
A
Hydrofoob
B
Hydrofiel

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions