Thema 11 kaderC

Thema 11 
Voeding & Vertering
1 / 42
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

This lesson contains 42 slides, with text slides.

Items in this lesson

Thema 11 
Voeding & Vertering

Slide 1 - Slide

Leerdoelen bs. 1+2
Je kunt:
  • de werking van enzymen beschrijven.
  • beschrijven welke rol bacteriën en schimmels spelen bij voedselbederf.
  • manieren noemen waarop voedsel kan worden geconserveerd
  • de functies van voedingsstoffen en voedingsvezels in voedingsmiddelen noemen.
  • zes groepen voedingsstoffen met hun functies en kenmerken noemen.

Slide 2 - Slide

Enzym
  • Eiwit dat reacties versnelt zonder zelf te worden verbruikt.
  • Enzymen werken specifiek; één enzym maar één reactie in de cel versnelt. 

Slide 3 - Slide

glucose + zuurstof --> water + koolstofdioxide+ energie
welke 2 processen worden hier aangegeven?
Dissimilatie
Assimilatie

Slide 4 - Slide

Verbranding bij de mens

Slide 5 - Slide

Enzymactiviteit
Snelheid waarmee een enzym een reactie versnelt.
optimumkromme
Diagram van de enzymactiviteit met een minimum, een optimum en een maximum.
De temperatuur en zuurgraad beïnvloeden de enzymactiviteit 
– minimum: de laagste waarde waarbij een enzym nog actief is
– optimum: de waarde waarbij de enzymactiviteit het grootst is
– maximum: de hoogste waarde waarbij een enzym actief is

Slide 6 - Slide

Bacteriën en schimmels kunnen voedselbederf veroorzaken.
Voedselvergiftiging: bij de afbraak van voedsel door bacteriën en schimmels kunnen giftige stoffen ontstaan.
(vb. blindedarmontsteking)

Voedselinfectie: een besmetting die wordt veroorzaakt door grote hoeveelheden bacteriën en schimmels in het voedsel. (salmonellabacterie) 

Slide 7 - Slide

Conserveren: voedsel behandelen zodat het niet of minder snel bederft. 
De omstandigheden voor bacteriën en schimmels worden ongunstig gemaakt.
invriezen (bijv. vlees): de temperatuur verlagen tot −18 °C
koelen (bijv. groente): de temperatuur verlagen tot 4 °C
pasteuriseren (bijv. melk): verhitten tot 72 °C
steriliseren (bijv. lang houdbare melk): verhitten tot 130–140 °C
– na verhitting inblikken (bijv. groenten) of vacuüm verpakken (bijv. koffie)
drogen (bijv. soep): onttrekken van water aan het voedsel
natuurlijke conserveermiddelen toevoegen: zuur (bijv. augurken), suiker
(bijv. jam) of zout (bijv. olijven)
kunstmatige conserveermiddelen toevoegen (bijv. nitriet in vleeswaren)

Slide 8 - Slide

  • Voedingsmiddelen: alle producten die je eet en drinkt.
  • Voedingsstoffen: de stoffen waaruit voedingsmiddelen bestaan.
      Voedingsvezels: onverteerbare stoffen in plantaardig voedsel. Bevorderen de darmbewegingen en de stoelgang

Slide 9 - Slide

Voedingsstoffen kunnen in je lichaam verschillende functies vervullen.
bouwstofStof die wordt gebruikt bij de vorming van cellen en weefsels (voor opbouw en herstel).

brandstofStof die wordt verbruikt bij de verbranding(vooral glucose).

reservestofStof die wordt opgeslagen voor later.

beschermende stofStof die helpt om ziekten te voorkomen(mineralen en vitaminen).






Slide 10 - Slide

Groepen voedingsstoffen en hun functie

Slide 11 - Slide

Leerdoelen bs. 3+4
Je kunt:
  • met behulp van de Schijf van Vijf adviezen voor een gezonde voeding en leefstijl geven.
  • factoren noemen die van invloed zijn op het energieverbruik van organismen.
  •  omschrijven wat vertering is en de functie van verteringssappen aangeven.
  • beschrijven hoe de darmperistaltiek tot stand komt en de functies ervan benoemen.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Adviezen van het Voedingscentrum voor een gezonde leefstijl:
– Eet gezond.
– Blijf op gezond gewicht.
– Beweeg regelmatig.
– Rook niet.
– Ontspan voldoende.

Slide 14 - Slide

Energieverbruik:
Hoeveelheid energie die wordt verbruikt voor stofwisseling en lichamelijke activiteit samen. 


Grondstofwisseling: de stofwisseling van het lichaam in rust.

Afhankelijk van de factoren: geslacht, leeftijd, lengte, lichaamsgewicht en de milieu temperatuur.

Slide 15 - Slide

Dikker of dunner?
overvoeding: Je krijgt meer energie binnen dan je verbruikt.

overgewicht: Je bent te zwaar voor je lengte.

vermagering: Sterke afname van het lichaamsgewicht.

ondervoeding: Je krijgt minder energie binnen dan je verbruikt.

Slide 16 - Slide

Oorzaken van eetstoornis
• beïnvloed worden door je cultuur of (sociale) media
• nare gebeurtenissen in je leven
• een gevoel van controle willen hebben
• faalangst of perfectionisme
• ontevreden zijn over jezelf of je uiterlijk

Slide 17 - Slide

verschillende eetstoornissen
Anorexia nervosa: iemand hongert zichzelf uit door weinig te eten.

Boulimia nervosa: iemand braakt na het eten.

Eetbuistoornis: iemand eet regelmatig veel te veel tijdens eetbuien.

Een eetstoornis is een serieuze ziekte en professionele hulp is meestal nodig

Slide 18 - Slide

 Het verteringsstelsel van de mens 

Slide 19 - Slide

Vertering
Het afbreken van voedingsstoffen die niet door de darmwand heen kunnen in verteringsproducten die wel door de darmwand heen kunnen en in het bloed kunnen worden opgenomen.

verteringsklieren: Maken verteringssappen die vaak enzymen bevatten (speekselklieren, maagsap klieren, alvleesklier en darmsapklieren).

Verteringssap: Kan voedingsstoffen verteren (bijv. speeksel, maagsap, darmsap).




Slide 20 - Slide

Darmperistaltiek
Het afwisselend samentrekken van kring- en lengtespieren.

peristaltische bewegingen:
 Deze knijpende bewegingen kneden het voedsel en duwen het door het verteringsstelsel.

Slide 21 - Slide

 De darmperistaltiek

Slide 22 - Slide

Leerdoelen bs. 5+6
Je kunt:
  • de delen van het verteringsstelsel noemen met hun functies en kenmerken.
  • de verteringssappen noemen met hun functies.
  • de delen van tanden en kiezen noemen met hun kenmerken.
  • bij zoogdieren het verband aangeven tussen de voedselkeuze, de lengte van het darmkanaal en de kenmerken en functies van de tanden en kiezen.
  • omschrijven wat tandplak is en wat tanderosie is.

Slide 23 - Slide

Mondholte
Speekselklieren: Produceren speeksel.

Speeksel: water +  enzym dat zetmeel verteert ;doodt bacteriën.

Tanden: delen het voedsel in kleine stukjes.

Kiezen: Vermalen het voedsel in de mondholte.

Slide 24 - Slide

Het kauwen van voedsel vergroot het oppervlakte. De enzymen in speeksel kunnen beter inwerken op het voedsel.
Voedsel
kauwen

extra oppervlakte

Slide 25 - Slide

Het doorslikken van voedsel 

Slide 26 - Slide

Keelholte en slokdarm
Tong: Duwt gekauwd voedsel naar de keelholte.

slokdarm:
Hier wordt voedsel voortgeduwd naar de maag.


Slide 27 - Slide

Maag
Maag: voedsel gekneed en vermengd met maagsap.
Maagsap: water +zoutzuur + enzym dat eiwitten verteert.
Maagsapklieren: Produceren maagsap.

Maagzuur: zorgt voor een hoge zuurgraad in de maag; doodt bacteriën.

Maagportier: Kringspier die de uitgang van de maagafsluit.








Slide 28 - Slide

Ligging van maag, lever, galblaas, alvleesklier en twaalfvingerige darm.

Slide 29 - Slide

Lever en galblaas
Lever: Produceert gal.

Galblaas: Slaat gal op.

Gal: Vloeistof die vetten emulgeert.

Emulgeren: Grote vetdruppels verdelen in kleine vetdruppeltjes.

Slide 30 - Slide

Alvleesklier en twaalfvingerige darm
Alvleesklier: Produceert alvleessap.

Alvleessap:  verschillende enzymen die eiwitten, koolhydraten en vetten verteren.

Twaalfvingerige darm: gal en alvleessap afgegeven aan de voedselbrij.

Slide 31 - Slide

Dunne darm
  • Hier wordt darmsap afgegeven aan de voedselbrij 
  • wordt water met opgeloste voedingsstoffen en verteringsproducten opgenomen in het bloed
  • +- 6 meter lang

Darmsap: verschillende enzymen die de vertering van eiwitten en koolhydraten afmaken.

Slide 32 - Slide

water met opgeloste voedingsstoffen en verteringsproducten worden opgenomen in het bloed

Slide 33 - Slide

Dikke darm en blindedarm
  • Hier wordt een groot deel van het water aan de voedselbrij onttrokken/opgenomen in het bloed.
  • +- 1, 5 meter lang.
  • Blindedarmontsteking:  wormvormig aanhangsel ontstoken+ operatief verwijderen. De blindedarm zelf blijft zitten.

Slide 34 - Slide

Endeldarm + anus
Endeldarm: Slaat ontlasting op totdat je aandrang krijgt om te poepen.

Anus: Kringspier die de uitgang van de endeldarm afsluit.
Aangespannen sluit hij de endeldarm af.
Ontspan je de kringspier dan pers je de endeldarm leeg.(poepen)

Slide 35 - Slide

Bouw van het gebit
wortel:  zit een tand of kies bevestigd in de kaak.

tandbeen: grootste deel waaruit tanden en kiezen bestaan; is bedekt met glazuur.

glazuur: Harde stof die het tandbeen van de kroon bedekt.

cement: Dun laagje dat het tandbeen van de wortel bedekt.

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

Planteneters
planteneter: Organisme dat plantaardig voedsel eet.
  •  een lang darmkanaal; soms +- 40 meter.
  • Planteneters hebben plooikiezen
  • Planteneters hebben meestal geen hoektanden.

Slide 38 - Slide

Vleeseters
  • Vleeseters (carnivoren) eten alleen dierlijk voedsel.
  • vrij kort darmkanaal
  • hebben knipkiezen: knippen voedsel in stukken.
  • hoektanden zijn meestal groot, spits en scherp 

Slide 39 - Slide

Alleseters
  • Alleseters (omnivoren) eten zowel dierlijk als plantaardig voedsel.
  •  een middellang darmkanaal
  •  Mensen: darmkanaal van ongeveer 9- 11 meter lang.
  • Alleseters hebben knobbelkiezen
  •  alleseters zijn de hoektanden vrijwel even groot als de snijtanden.

Slide 40 - Slide

verband tussen de voedselkeuze, de lengte van het darmkanaal en Gebit

Slide 41 - Slide

Verzorging van het gebit
tandplak: Dun laagje aanslag op tanden en kiezen; kan verkalken tot tandsteen.

tandbederf: Aantasting van het gebit door tandplak.

tanderosie: Aantasting van het gebit door zure voedingsstoffen.

fluoride: Een behandeling met fluoride zorgt ervoor dat het glazuur sterker wordt, waardoor de tanden beter beschermd zijn tegen zuur.



Slide 42 - Slide