Aanhalingstekens

Aanhalingstekens
1 / 16
next
Slide 1: Slide
TaalSpeciaal OnderwijsLeerroute 6

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Aanhalingstekens

Slide 1 - Slide

Wanneer gebruik je aanhalingstekens?
Bij een citaat. 
Wat is een citaat?
Iets wat letterlijk door iemand wordt gezegd.

Slide 2 - Slide

Voorbeeld
De juf zei dat de les klaar is.

Hoe kun je deze zin anders opschrijven?

Slide 3 - Slide

De juf zei: 'deze les is klaar.'

Slide 4 - Slide

Waar moet je op letten?
: dubbele punt
'.......'

Slide 5 - Slide

Nog een paar voorbeelden

Slide 6 - Slide

De brandweer zei dat de brand geblust is

Slide 7 - Slide

De brandweer zei: 'De brand is geblust.' 

Slide 8 - Slide

Mijn vriend vroeg of ik mee ga. 

Slide 9 - Slide

Mijn vriend vroeg: 'Ga je mee?'

Slide 10 - Slide

De ober vroeg of het eten lekker was.
A
De ober vroeg is het eten lekker?
B
De ober vroeg 'is het eten lekker'
C
De ober vroeg: 'Is het eten lekker?'
D
De ober vroeg 'of het eten lekker was?'

Slide 11 - Quiz

De scheidsrechter zei tegen de speler dat hij een overtreding had gemaakt.
A
De scheidsrechter zei tegen de speler: 'Je hebt een overtreding gemaakt.'
B
De scheidsrechter zei tegen de speler je hebt een overtreding gemaakt.
C
De scheidsrechter zei tegen de speler: dat je een overtreding hebt gemaakt.
D
De scheidsrechter zei tegen de speler: je hebt een overtreding gemaakt.

Slide 12 - Quiz

Nu jullie......

Slide 13 - Slide

De juf vroeg of we stil wilden zijn.

Slide 14 - Open question

De kassamedewerker vroeg of ik een bon wil.

Slide 15 - Open question

De weerman zei dat het morgen mooi weer wordt.

Slide 16 - Open question